AsserJournaal
woensdag 7 november 2007
De SWA bouwt!
www.swa-assen.nl
 
 
AsserJournaal
Uitg. Stichting
Press Support

Hfd.red. Jan Hof
Tel.(0592) 37 10 17

Colofon (meer >>)

Reuring
BMT Media
Verhalen - Dagelijks Feuilleton 31/03/2007 01:20

Voorlopig geen vervolg op Dagelijks Feuilleton. Tijd-

factor dwingt tot uitstel, maar dat is geen afstel


ASSEN
– Een week geleden verscheen aflevering 43 van ons dagelijks Feuilleton De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet. Dat verscheen als zelfstandig onderdeel van de in het verschiet liggende autobiografie ‘Uit het leven van een Gezagsgetrouwe Anarchist en Dorpse Cosmopoliet’. Deze aflevering was de laatste en het was de bedoeling direct door te gaan met het levensverhaal zoals dat in 1928 begon.
Dat verhaal wil ik graag in zijn geheel op papier zetten en met een dagelijkse verplichte aflevering zou ik mijzelf onder druk zetten een voornemen van jaren te realiseren.

Toen ik, nu een week geleden, daar mee zou beginnen realiseerde ik me wat dit voor het komende jaar zou betekenen. De bewerking van de historie van de bezetting had namelijk elke dag meer tijd gekost dan ik mij feitelijk kon veroorloven. Ik had het grof onderschat en dat beseffende heb ik na een aantal dagen van overweging besloten te wachten tot het moment waarop ik mij de tijd die het schrijven kost, zou kunnen veroorloven wilde ik mij niet in moeilijkheden brengen.
Het AsserJournaal vraagt nog steeds veel dagelijkse en nachtelijke uren, en het lijkt niet verantwoord daar nog eens een extra druk op te leggen.

Vandaar mijn besluit tot uitstel. Als het mij gegeven is, niet tot afstel, want ik wil toch nog wel wat op papier kwijt van wat we in de achter ons liggende jaren hebben ervaren...

Zodra de agenda wat extra ruimte biedt ga ik aan de slag en hoop het karwei, dat ik mij vrijwillig opleg, te klaren.

Ik neem met mijn besluit helaas even afstand van het leidende principe in mijn leven ‘te doen wat je zegt’ en niet te versagen. Het feit dat mijn eega, beste vriendin en allernaaste medewerker mijn beslissing heeft toegejuicht sterkt mij. Zij hoopt hierdoor aan nachtrust te winnen. Het komt haar toe.


Jan Hof

 

Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Verhalen - Dagelijks Feuilleton 21/03/2007 03:13
 

Ons dagelijks Feuilleton

Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet


Deze autobiografie begint  op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen.

 

De Bezetting,
het Dagelijks Leven
 en Het Kleine Verzet

 
door Jan Hof

 

Aflevering 43

 

De per trein gearriveerde goed duizend gevangenen waren op een klein aantal na – meestal mannen – binnen een dag na hun aankomst al vergast. Op weg naar die gaskamers werden zij overeenkomstig het perfide systeem er door bewakers vriendelijk op gewezen dat zij goed zouden worden ontvangen en niets te vrezen hadden. De vriendelijke weg naar de gaskamers werd de Himmelfahrtsweg genoemd.

De gedachte eraan is verschrikkelijk, het lot dat de mensen in de overvolle gaskamers waar het Zyklon B zuur zijn werk deed, onbeschrijflijk

Mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden vonden daar de verstikkingsdood.

De as van hun verbrande lichamen werd in de bossen bij Sobibor verspreid. Het is een onherkenbaar massagraf van grote omvang geworden dat alleen maar anonimiteit uitstraalt.


Na een grote tocht door de Baltische Staten besloot ik op de terugreis een omweg naar Oost-Polen te maken om op een vredige zonnige ochtend in september 2002 een bezoek aan Sobibór te brengen, gelegen in het uiterste oosten, tegen de grens van Wit-Rusland aan. Een verlaten bosrijk gebied, duivels uitgezocht door de architecten van Hitlers moordbrigade, de SS.

Sobibór was zestig jaren terug het begin van de hel op aarde voor 250.000 joden, onder wie bijna 40.000 uit Nederland, sinds maart 1942 daar veroordeeld tot de snelle dood in de gaskamers Tot in oktober 1943, toen er een opstand uitbrak die het einde van het kamp betekende, werden daar per dag bijna 5000 mensen omgebracht, een reusachtige dodenfabriek.

De herinnering aan deze ongekende massamoord wordt nabij het 300 inwoners tellende dorpje in stand gehouden door de aanwezigheid van een grote gedenkmuur en door een alleen Pools sprekende gids beheerd gebouw waarin door middel van foto's, een maquette en teksten in het Pools de geschiedenis van het kamp sober wordt verteld.


Wij, mijn vrouw Leni en ik, zijn de enige bezoekers.

Het 'seizoen' is ten einde. Zo'n 1000 mensen zijn ons dit jaar voor gegaan. Ook enige Nederlanders, te lezen in het bezoekersboek. Weinig Nederlanders. Nog geen twintig.

Aan een van de wanden grote plaquettes met daarop vermeld de aankomst van de treinen en de precieze  aantallen mensen die ermee aangevoerd werden.

Van de trein die op 4 mei l943 uit Westerbork vertrok, staat vermeld:

Aankomst 7 mei. Aantal 1187.

Dat was de trein van Elsje  Smit en haar familie uit Zaandam.

De geschiedenis, hoe waar ook voorheen, nog eens keihard bevestigd.


Dit bezoek was de confrontatie die ik zocht.

Ook nu hoorde ik van verre het schaterende lachje van Elsie uit de eerste en tweede klas en ik zal het later vele malen meer zeker wéér horen. Maar nu ik heb gezien waar zij met die goederentrein arriveerde en uit moest stappen heb ik mij ter plekke voor de geest gehaald hoe zij haar korte weg naar de dood moest vervolgen. En daarmee was mijn verleden met haar gecompleteerd.

Van dat hele kamp is niets meer over. De SS-ers hebben het na de opstand volledig van de aarde gebuldozerd, nog voor dat de Russische troepen in aantocht waren.

Alleen dat verlaten en verwaarloosde stationnetje en de vier spoorbanen bestaan nog, waarvan er dus één eindigt tot even voorbij het betonnen perron.

Een station van verhoogd beton, erlangs de rails bedekt met gras.

Geen trein die daar stopte, geen fel geschreeuw, geen grauw Befehl.

Geen stemmen van moeders gekweld door de zorg om hun kinderen die in de massa verdrukt uit het zicht zijn verdwenen.

Maar ik zag in de onwerkelijke stilte in mijn geest Elsje's laatste gang. En heb in het bezoekersboek dat in het museum lag, afscheid van haar kunnen nemen.

l

Ik heb daar even stil gestaan, daar bij  die rails.

En waar ik stond gekeken naar de bossen

waar zij, tot as vergaan,

haar laatste rustplaats vond.


Daar bij die rails, daar ligt een boek waarin bezoek een

eigen woord mag schrijven.

Ik heb dat voor háár ook gedaan,

voor haar die hier moest blijven.

De letters zijn wat slordig en de

regels staan wat scheef,

want in mijn ogen waren tranen toen ik Elsie’s grafschrift schreef.


Ik stond daar op dat triest perron,

waar zij móést arriveren,

veroordeeld tot een laatste gang

om nimmer weer te keren.


Ik heb daar op ’t station gestaan.

Geen trein vertrok, geen trein  kwam aan.

Voor Elsie Smit géén weg terug

Maar ik mocht rustig verder gaan.


Daarom na Sobibór de vraag,
die tot het eind blijft kleven:

Waarom is Elsie doodgegaan
en mocht ik blijven leven.


Sobibór, 10 september 2002                                           

Jan Hof

 

 

 

Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Verhalen - Dagelijks Feuilleton 19/03/2007 23:16

Ons dagelijks Feuilleton

Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet


Deze autobiografie begint  op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen.

 

De Bezetting,
het Dagelijks Leven
 en Het Kleine Verzet

 
door Jan Hof

 

Aflevering 42

 

Over mijn joodse klasgenootje Elsie

In drie dagen per trein van Westerbork
naar de dood in Sobibor

 

Het was al geruime tijd na de oorlog dat ik mij plotseling afvroeg hoe het Elsie Smit was vergaan. Zij is het jodinnetje dat ik al noemde, dat in 1935 gelijk met mij op de lagere school in Zaandam kwam en dat tot half november ’39 in de vijfde klas een klasgenootje was. Ik ben toen naar een dichter in mijn omgeving staande school gegaan en heb haar daarna nooit meer gezien.
Ik kreeg haar met grote regelmaat voor ogen als dat kleine meisje uit de eerste en tweede klas dat mij kennelijk aardig vond en een vriendje in mij zag. Het was een pittig en opgewekt kind, een spring-in-het-veldje. In het speelkwartier probeerde zij mij vaak over te halen ‘tikkertje’ met haar te spelen als ik met de jongens op het schoolplein aan het voetballen was met een oude tennisbal of - wat vaker het geval was - met een van papier en van binnenband gemaakte elastiekjes gefabriceerde bij-gebrek-aan-beter bal.
Huppelend over de tegels kwam ze dan naar mij toe, tikte tegen mijn arm of schouder en rende dan met een helder, schaterend lachje uitdagend weg.
Dat vrolijke stemmetje en en de gedachte aan wat haar was overkomen, is mij net zo lang blijven achtervolgen tot ik het besluit nam het Herinneringscentrum Westerbork op te bellen om daar iets van Elsie Smit uit Zaandam aan de weet te komen.
Ik kreeg directeur Dirk Mulder aan de lijn wie ik de vraag voorlegde. Verwachtend dat het antwoord wel enige tijd op zich zou laten wachten, kreeg ik tot mijn verbazing te horen: ‘Wacht maar even. Ik zal het nakijken’. Na niet meer dan een minuut kwam het antwoord. ‘De familie Smit uit Zaandam? Vader, moeder en acht kinderen...'
En directeur Mulder las alle namen voor, ook die van Elsie, zoals haar klasgenootjes haar noemden. Over haar hoorde ik dat de op 14 april 1929 in Zaandam geboren Elsje op 4 mei 1943 uit Westerbork was vertrokken en op 7 mei 1943 in Sobibor was overleden.
Zij was, als zovele tienduizenden, in een van de 38 treinen met ruim 1000 lotgenoten in een gesloten goederenwagon in drie dagen naar Sobibor vervoerd, daar aangekomen en direct na aankomst vergast.
Dat was de gruwelijke werkelijkheid van toen.
Deze twee data, verbonden aan het leven en sterven van mijn aardige, levenslustige klasgenootje Elsie,  beschrijven in het kortste bestek dat mogelijk is de hele geschiedenis van wat de joden door het meest perfide regime dat ooit heeft geheerst, is aangedaan. Met ijzeren regelmaat gingen de treinen naar Sobibor en niemand wist dat hij of zij al na drie dagen dood zou zijn, vergast.

En dat, terwijl zo velen in Westerbork leefden in vrees,  maar ook met de hoop dat zij het einde van de oorlog wel zouden halen, ook al moesten ze naar het Oosten. Daar tewerk te worden gesteld zou zwaar zijn, daar ging men van uit, maar dat viel wel te overleven. Zo lang zou de oorlog niet meer duren…

Over Sobibor had ik inmiddels zoveel gehoord, dat ik mij er een voorstelling van kon maken. Er is over het kamp,dat slechts enige jaren bestaan heeft, een film  gemaakt van de opstand die daar in oktober 1943 heeft plaatsgevonden en daarin was ook even het station zichtbaar en de aankomst van een trein met nieuwe slachtoffers. De moffen hadden meer kampen voor de Endlösing nodig dan ze in gebruik hadden. Bij het zoeken naar de ideale locatie, kwamen ze uit in Sobibor dat per trein goed bereikbaar was maar ver genoeg van de bewoonde wereld lag zodat omwoners niets zouden merken van wat daar gebeurde. Sobibor was geen concentratiekamp, maar een vernietigingskamp. Het werd alleen gebouwd om de aangevoerde joden zo snel mogelijk naar de gaskamers te leiden. Er was sprake van een perfide organisatie. Als de trein langszij het perron was gereden en tot stilstand gekomen, werden de slachtoffers na een verschrikkelijke reis van drie etmalen uit de wagons op het perron gelaten. Daar werden zij geconfronteerd met een vriendelijk uitziende omgeving.

Geleid door bewakers werden zij naar een op enige afstand gelegen toegang tot het kamp gebracht waar direct al de scheiding van de mannen en de vrouwen begon.

Alle bagage die zij zo hadden gekoesterd, moest worden afgegeven.
'J
ullie krijgen straks kleren van hier’, was de verkla-ring. Op een aantal mannen na, die voor verschillen-de werkzaamheden konden worden gebruikt, moest de weg direct in de richting van de gaskamers worden vervolgd. Zij kregen een waslapje en een stukje zeep toebedeeld. Voor de douchebeurt, werd gezegd.

(Wordt vervolgd)

Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Verhalen - Dagelijks Feuilleton 18/03/2007 01:42

 Ons dagelijks Feuilleton

Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet


Deze autobiografie begint  op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en geeft een reëel beeld van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.

De Bezetting,
het Dagelijks Leven
 en Het Kleine Verzet

 
door Jan Hof

 

Aflevering 41.

 

Nooit te vergeten beelden en verhalen van

en over de honger die de mensen teisterde.

 

Er zijn tijdens de bezettingsjaren meer dan 25000 burgers door het oorlogsgeweld in zijn verschillende vormen om het leven gekomen. Dat waren in hoofdzaak mensen die  tegen de bezetters opstonden en door hun verzetsdaden in handen van de SD vielen. Van hen werden velen al of niet na een proces doodgeschoten; de meesten  kwamen om in de Nederlandse maar vooral in de Duitse concentratiekampen waartoe ze veroordeeld waren.

Maar er zijn ook enige duizenden kinderen en vooral oude mensen  van de honger gestorven in die beruchte hongerwinter.

Mijn familie, heb ik al gememoreerd, heeft daar niet onder geleden en in mijn naaste omgeving was ik ook geen getuige van de schrijnende gevallen waar pas later, na de oorlog, wat over bekend werd door de foto’s die in de vrije bladen waren te zien en nu nog in de boeken die er over die tijd zijn verschenen. Daarop zijn zielig magere kinderen en in bed liggende bijna stervende ouden van dagen te zien, beelden die veel weg hebben van wat we steeds terugkerend uit landen waar honger heerst zien.

Honger. Ik heb verteld hoe die vooral het laatste half jaar heerste in het gezin van mijn vrouw. Daar was de gaarkeuken de enige bron van voeding en al heel lange tijd hoe slecht ook, het kon nog slechter. Het toppunt werd bereikt toen er suikerbieten gemengd met gewone rode bieten uit de gamellen kwamen. Dat was zulk walgelijk eten dat de herinnering daaraan bij het meisje van tien van toen nog steeds afkeer bestaat van rode bietjes. Alleen al het zien ervan is een straf.

Dat de stampot bieten alles sloeg wat er in de gaarkeukentijd werd opgediend blijkt uit het feit dat diezelfde middag zestien bewoners uit de buurt bij de familie aanbelde om daar hun porties aan te bieden. Er was daar al iets van geproefd en ze werden geweigerd, ondanks de heersende honger.

Het meest ontluisterende beeld van waartoe honger de mens kan drijven is dat van mijn leraar Frans. Ik zag hem aan het einde van het jaar enige malen in de Havenbuurt van de langs de kant van de Zaan opgestelde lege gamellen van de gaarkeuken de deksels wegnemen om daarna met zijn arm zo ver mogelijk gestrekt met een lepel de zijkanten en de bodem van etensresten te ontdoen.

Ik schrok ervan iemand van zijn signatuur zo bezig te zien. Ik had dat zelfs van kinderen nog nooit gezien en vond het voor hem zo vernederend dat ik probeerde hem voorbij te gaan zonder dat hij mij kon opmerken.

Charles, zoals wij hem noemden (alle leraren hadden bijnamen) was de eerste echte leraar die ik in mijn leven zag. Toen ik eind juni ’41 toelatingsexamen moest doen voor de middelbare school, kwam hij net het lokaal binnen waarin de kandidaten zenuwachtig bijeenzaten in afwachting van de spannende dingen die zouden gaan gebeuren. Daar stond een deftige man voor de klas, zwart haar, dito snor en een donker stemgeluid. Hij maakte veel indruk en dat bleef hij als leraar ook de jaren die volgden doen.

Over hem hoorde ik eerst kort voor het verlaten van de school dat hij als officier het leger had gezeten. In de mobilisatietijd liep hij als hij met verlof op weg naar en van zijn huis was, door iedereen gezien als een eche militair door de staat. Een opvallende figuur.

Ook hij was een goede, betrokken leraar die in de klassen respect afdwong. Hij leerde ons de tekst van de Marseillaise en liet die ons ook nog a capella zingen, evenals de prachtige Franse chanson Menilmontant. Een enkele keer hoor ik dat lied over een van de bekende Franse quartiers wel eens, en dat brengt mij dan ogenblikkelijk terug bij de erudiete Charles.

Wat was het dat mij zo siekem langs die doctor in de Franse Taal en Literatuur deed gaan?

En waarom ben ik van de vier of vijf keren dat ik hem bij die gamellen zag nooit een keer naar hem toegegaan om hem te vragen of ik hem wat aardappelen en wat roggemeel mocht brengen?

Ik durfde dat niet, of beter gezegd, ik wilde het niet omdat ik bang was dat hij het vervelend zou hebben gevonden dat een leerling hem daar in die gamellen had zien schrapen.

Tot op de dag van vandaag weet ik nog niet wat ik had moeten doen. Ik neig er naar te denken dat ik het juiste heb gedaan. Mijn familie had de zijne (vijf kinderen) nooit kunnen helpen en die paar kilo aardappelen en nog wat hadden geen gewicht in de schaal geworpen als het om het tekort aan eten ging. Dat was te structureel.

Ik heb de leraar Frans na de oorlog nog een vol studiejaar mogen meemaken. Hij heeft zelf nooit met enige gene in mijn richting hoeven kijken of een repetitie ‘uit dankbaarheid’ wat milder beoordelen. Toen ik op het eindexamen bij hem en een gecomitteerde aan een tafeltje zat om wat vragen te beantwoorden over een van de verplicht gelezen boeken, was hij vriendelijk en hier en daar als betrokken leraar wat rekkelijk, waardoor ik er met een goede voldoende afkwam en nog redelijk goed ook, want ik had ‘Fidji, fils du dessert’ tussen neus en lippen door echt wel een beetje gelezen.

De herinnering aan die leraar Frans is voor mij onuitwisbaar.

Het beeld dat ik steeds voor ogen krijg is de vertaling van wat onderdrukking betekent en wat mensen er aan vernederingen door moeten ondergaan.

Het is het Verzet geweest dat met grote offers heeft gestreden tegen de onderdrukkers.

Van dat verzet heb ik vanwege de leeftijd geen deel kunnen uitmaken, zomin als trouwens ook miljoenen ouderen niet in directe zin hebben gedaan. 

Door het Kleine Verzet een beetje uit te lichten hoop ik wat inzicht te hebben gegeven over hoe de jaren verliepen. Het is bijzonder belangrijk geweest want het gaf de mensen geest en leven.

Wat het ‘Grote Verzet’ betreft kan ik alleen maar zeggen dat ik altijd de grootste bewondering heb gehad voor de mensen die zich daarmee hebben belast. Dat waren de ware helden. Van hen zijn er duizenden in de strijd gesneuveld, hebben er duizenden in concentratiekampen zwaar geleden en hebben duizenden na de bevrijding gevangen gezeten in trauma’s en steeds terugkerende nachtmerries waarin alles wat was weer werd beleefd.

Hun lijden en sterven, maar ook de daden van de overlevenden hebben mij ertoe gebracht over hen te schrijven opdat in herinnering blijve waar mensen in hun beste uren toe in staat zijn.

Het is mijn eerbetoon aan al die grote zonen en dochters van ons volk die klaar stonden toen ze geroepen werden alles wat er goed en rechtvaardig is, te verdedigen. Zo nodig tot de dood er op volgde.

Want wie in vrijheid leven wil moet de bereidheid hebben ervoor te willen sterven, ook voor de medemens.


(Wordt vervolgd)

 
Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Verhalen - Dagelijks Feuilleton 16/03/2007 02:05

 

     Ons dagelijks Feuilleton

Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet


Deze autobiografie begint  op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 40 gekomen in de periode waarin het land is bevrijd en de gedachten teruggaan naar wat er werkelijk tijdens de bezetting gebeurde. Toen pas kwam aan het licht dat in de omgeving zonder dat anderen daar ook maar iets van wisten onderduikers waren ondergebracht. Er volgden verrassende ontdekkingen.

De Bezetting,
Het Dagelijks Leven
 en Het Kleine Verzet

 door Jan Hof

 

Aflevering 40

 

Een ‘vrij normaal' leven en geen weet van wat er met de joden gebeurde.

 

Ik heb geprobeerd een indruk te geven van een tijd die nooit eerder en ook niet vergelijkbaar in de geschiedenis heeft bestaan. Van het leven in een tijd die nu al zestig jaar achter ons ligt. Van de huidige bevolking zijn het alleen de mensen van zeventig jaar af die nog duidelijke herinneringen hebben aan de bezettingsjaren. Naarmate men een stuk ouder is staat die tijd onuitwisbaar in het geheugen gegrift. Dat zijn ruw geschat nog maar een miljoen mensen.

Allen die buiten deze categorie vallen hebben er geen weet van en kunnen zich, heel begrijpelijk, geen voorspelling maken van die tijd. Ik heb bij de aanvang van deze memoires geschreven dat er bij heel veel mensen de indruk heeft bestaan en nog bestaat dat de wereld van toen een donker gat was met dreiging alom, een unheimisch bestaan.

Ik heb geprobeerd te schilderen dat het dagelijks leven echter vrij normaal verliep en dat het overgrote deel van de bevolking niet met bezettingsgeweld werd geconfronteerd. Wel was er veel aanvoelbaar leed, want meer dan 600.000 manen in de leeftijd van achttien tot begin veertig waren in Duitsland en dan vooral in de zwaar bestookte industriegebieden werkzaam. De zorgen om de vaders en zonen waren begrijpelijk groot en bij menige familie kwam het bericht binnen dat zoon of vader in Duitsland om het leven was gekomen.

De grote terreur die er was werd uitgeoefend op de groep van 140.000 joodse Nederlanders, maar die ging aan de massa van het volk voorbij, hoe vreemd dat na alles wat we nu weten van de verschrikkelijke Holocaust ook moge klinken. Dat woord is pas na de oorlog gebruikt. Iedereen wist dat de joden vervolgd werden. De eerste tekenen daarvan waren al in de herfst figuurlijk zichtbaar toen bekende joodse hoogleraren een ‘berufsverbot’ kregen en werden ‘kaltgestelt’, maar niemand is er ooit achter gekomen wat er in de Duitse en Poolse kampen gebeurde.

Toen de jodenster werd ingevoerd was de zichtbaarheid letterlijk. Joden mochten niet meer in openbare gelegenheden komen. Overal verschenen op de ramen van café ’s biljetten met de tekst ‘Voor Joden Verboden’. Die tekst trof mij het hardst toen ik als elfjarige die bij de toegangspoort van mijn favoriete voetbalclub in Zaandam aangeplakt zag en enige tijd later hoorde ik dat Bobby Prijs niet meer in het eerste elftal van mijn favoriete voetbalclub ZFC mocht spelen, opdat hij jood was. Ik had dat nooit geweten, net zo min als ik daarvoor wist dat Elsie Smit, die bijna vijf jaar bij mij in de klas had gezeten een jodinnetje was. Ze zag er helemaal niet anders uit. Bobby heb ik van dat moment af niet meer gezien, ook niet als toeschouwer. Er was mij nooit iets aan hem opgevallen anders dan dat hij altijd perfect gekleed was en zorgvuldig gekapt zwart achterover gekamd haar had. Eerst na de bevrijding zag ik hem weer. Hij was de holocaust ontkomen en keerde in een Engels uniform in Zaandam terug, omdat hij een tijd in het Engelse leger had gediend. Over de bijzonderheden daarvan heb ik nooit niets gehoord.

In het nieuwe voetbalseizoen speelde hij weer lustig als rechtsbuiten mee in het eerste en pas toen viel het mij op dat hij een echt jood uiterlijk had. Het was mij als net twaalf jaar geworden jongen nooit opgevallen. Elsie Smit heeft het kamp niet overleefd. Op haar kom ik aan het slot van mijn verhandeling over de oorlogsjaren nog terug.

Als ik het heb gehad over een ‘vrij normaal dagelijks leven', wil dat niet zeggen dat er geen ellende was, en er geen schrijnende dingen gebeurden. Daarvoor hoef ik alleen maar de beruchte hongerwinter ’44-’45 te noemen, waarin zich de meest afschuwelijke toestanden hebben voorgedaan en waarin vooral in het westen van het land veel leed is geschied.

         (Wordt vervolgd)

 

 

 

Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Verhalen - Dagelijks Feuilleton 13/03/2007 01:56

   Ons dagelijks Feuilleton

Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet

Deze autobiografie begint  op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 39 gekomen in de periode waarin het land is bevrijd en de gedachten teruggaan naar wat er werkelijk tijdens de bezetting gebeurde. Toen pas kwam aan het licht dat in de omgeving zonder dat anderen daar ook maar iets van wisten onderduikers waren ondergebracht. Er volgden verrassende ontdekkingen.

De Bezetting,
het Dagelijks Leven
 en Het Kleine Verzet

 door Jan Hof

 

Aflevering 39

 

 

Een vader en een zuster als ongeschikte kampbewakers en nooit vermoede onderduikhuizen

 

Dat ik na een vertraagde terugkeer uit Drente mijn vader aantrof in een uniform van de ‘Gezagstroe-pen’ met nota bene nog korporaalsstrepen op de mouw, was een grote verrassing voor me. Aan dit uniform was de overall met de oranjeband van de BS voorafgegaan.

Hij had toch wat dieper in het verzetswerk gezeten, dan ik ooit heb geweten.  Hij behoorde direct na de bevrijding tot de BS-ers die de geïnterneerde NSB-ers, ondergebracht in scholen, moesten ‘bewaken’.

Dat heeft hij niet lang gedaan want de man kon het niet hebben dat medebewakers zich grof jegens de gevangenen gedroegen. Daar hadden we de oorlog niet voor gewonnen, vond hij. Mensen waren mensen en moesten ook als mensen worden behandeld.

Zijn kritiek op deze volgens hem wantoestand werd hem niet in dank afgenomen, maar hij stond pal voor zijn gevoel. Kennelijk werd hij door de leiding wel gerespecteerd want hij werd niet ontslagen en kreeg toen ze na enige tijd waren gearriveerd, toch het Engelse uniform uitgereikt inclusief de genoemde korporaalsstrepen.

Mijn oudste zuster was uit hetzelfde hout gesneden. Haar werd gevraagd bewaakster te worden in een kamp voor NSB-vrouwen in Castricum en dat werd ze ook; nog zie ik haar trots thuiskomen met een uniform aan van dikke donkerblauwe stof. Het stond haar goed, moet ik zeggen, maar dat uniform heeft ze niet lang gedragen. Binnen een maand nam ze al ontslag want ook zij kon er niet tegen hoe sommigen van haar collega’s die vrouwen behandelden. Zij had geen bewaaksternatuur. Het mocht niet, maar - zoals dat toen zelfs in de kampen van de moffen wel eens gebeurde, smokkelde zij soms kleine pakjes en brieven binnen voor geïnterneerde vrouwen van wie zij dacht dat die er ook niets aan konden doen dat hun man fout was geweest…

Zou ik onder de omstandigheden als mijn vader en zuster ook zo hebben gehandeld? Ik denk niet alleen van wel, ik weet het zeker.

Terugkijken kan ik zeggen dat ik mij een gelukkig mens heb mogen voelen, want van het begin af heeft mijn familie aan de goede kant gestaan. Dat is geen verdienste, maar wel een feit.

Er was een vader die net zo vaak voor anderen in de weer was als voor zijn gezin. Hij werd een expert in het fabriceren en herstellen van ‘kleppers’ ,een soort houten zool die van leren strookjes werden voorzien om ze draagbaar te maken  Het leer ‘organiseerde’ hij op de fabriek dus dat kostte niets en die houten kleppers kostten ook niet het meeste, dus liepen tal van kinderen en ook ouderen de laatste jaren tot aan de bevrijding voor praktisch niets op bruikbaar schoeisel.

Hij heeft er nooit een cent aan willen verdienen.

Mijn moeder stond model voor al die Nederlandse vrouwen die met kunst- en vliegwerk, maar vooral met inventiviteit en taaie volharding de huishouding organiseerden. Altijd in de weer om van oud nieuw te maken en ondertussen niet vergetend anderen die het minder hadden zo nu en dan eens wat toe te stoppen.

Ze hebben zich er tijdens hun  leven nooit op beroepen.

Ik was hen er dankbaar voor. En ben dat nog steeds.


(Wordt vervolgd)
Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Verhalen - Dagelijks Feuilleton 11/03/2007 00:03

    Ons dagelijks Feuilleton

Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet


Deze autobiografie begint  op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 38 gekomen in de periode waarin de jaren op de middelbare school beginnen en een reëel beeld wordt gegeven van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.

 

De Bezetting,
het Dagelijks Leven
 en Het Kleine Verzet

 
door Jan Hof

 

Aflevering 38

 

M'n vader bij de BS en de Gezagstroepen en
onzichtbare onderduikers in de buurt

 

Ik heb de bezettingsjaren dus heel bewust meegemaakt.  En ik heb getracht en indruk te geven van het alledaagse leven in oorlogstijd zoals een opgroeiende jongen daar mee te maken had en er tegenaan keek.

Er zijn geen spectaculaire zaken gememoreerd want die hebben zich niet voorgedaan. Eigenlijk ging het échte verzet aan je voorbij. Daar hoorde je zo nu en dan van, maar het bleef op een afstand. En dat moest natuurlijk ook.

Wie er middenin zat keek wel uit om daar grote verhalen over rond te bazuinen. Het heet te zijn dat er sprake was van een te grote loslippigheid bij de mensen en daaruit stamt dan ook de uitspraak:

‘Er is in de oorlogsjaren nergens meer gepraat dan in het land van Willem de Zwijger’.

Aardig gevonden, maar in het algemeen niet waar.

Er werd gepraat. Er werd gekletst, er werd wel eens onverantwoord gepraat, vooral om interessant te lijken, maar dat dit echt gevaarlijke vormen heeft aangenomen ik geloof ik niet.

Na terugkeer ben ik al gauw verscheidene keren met het tegendeel geconfronteerd geweest.

Tóen pas hoorde ik waar in de buurt onderduikers hadden gezeten, toen pas hoorde ik dat de buurman van twee huizen verderop betrokken was geweest bij de aanslag op het Gewestelijk Arbeidsbureau in Zaandam, een grote verzetsdaad die vernietiging beoogde van het registratiemateriaal van vooral de mannelijke bevolking. Wel wist ik dat hij ondergedoken zat want hij was altijd afwezig en zijn zoon, die even oud was als ik, had eens verteld dat-ie stiekem z’n vader had ontmoet en dat die een snor had laten staan voor de nieuwe pasfoto van zijn vervalste persoonsbewijs.

Naast het huis van deze verzetsman woonde een familie waar alle jaren ook veel contact mee was geweest en waar ik bij gelegenheid wel eens over de vloer kwam. Nooit heb ik geweten dat daar verscheidene onderduikers enige tijd hebben doorgebracht.

Hoe gesloten ook de directe omgeving is geweest bleek de dag na onze terugkeer in Zaandam.

Ik trof bij het ontbijt mijn vader aan in het uniform van de Gezagstroepen en hij had ook korporaalstekens op de mouwen. Dat uniform had de direct na de bevrijding verschafte blauwe overal met de oranje band en daarop de letters BS (van Binnenlandse Strijdkrachten) vervangen.

Er had zich die laatste paar jaar op De Fabriek kennelijk toch meer verzetswerk voorgedaan waar wij geen  weet van hadden.

En dan de geschiedenis van een lid van de knokploeg van de grote verzetsleider Bob Scheepstra, het hoofd van de LKP, die mij vele jaren na de oorlog schetste als een van zijn beste mensen. Dat was Geert Schoonman, die in de Delftse Rij veertien huizen van ons vandaan woonde. Al was hij verscheidene jaren ouder, ik kende hem goed.

Nooit heeft er een verhaal de ronde gedaan dat Geert Schoonman ‘in het verzet’ zat.

Voor de capitulatie had ik hem nog wel eens gezien in een uniform. Hij was, hoorde ik vele jaren later,  grenscommies in Twente en daar direct in het verzet gegaan en heeft als lid van de in verzetskringen befaamde Knokploeg Twente en later rond Arnhem opererend, deel uitgemaakt van de knokploegen die op 11 mei 1944 de stichter van de LO-LKP Frits de Zwerver (illegale naam voor de Drentse dominee Fredrik Slomp) uit de Koepel in Arnhem haalde. Een maand later speelde hij een belangrijke rol bij de grootste gevangeniskraak uit de geschiedenis van het verzet, die op het Huis van Bewaring in Arnhem, waaruit 55  verzetsstrijders werden bevrijd.

Hij vond zijn tragisch einde in een vuurgevecht met de SD en werd door de moffen op het vliegveld Twente onder de grond gespit. Maar dat is bijna twee jaar lang onbekend gebleven.

Als die tijd  werd naar zijn lichaam en dat van een paar andere verzetsmannen gezocht, en eerst nadat een gevangen zittende SD-officier had verteld waar de lichamen van de geëxecuteerden lagen, konden ze worden opgegraven. De moeder, vader en oudere zus van Geert hebben al die tijd in de grootst mogelijke onzekerheid verkeerd. Een drama. En zo dichtbij.

 

(wordt vervolgd)

 

Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Verhalen - Dagelijks Feuilleton 11/03/2007 02:24

    Ons dagelijks Feuilleton

Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet


Deze autobiografie begint  op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 37 gekomen in de periode waarin de jaren op de middelbare school beginnen en een reëel beeld wordt gegeven van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.

 

De Bezetting,
het Dagelijks Leven
 en Het Kleine Verzet

 
door Jan Hof

 

Vervolg 37

 

Terug in het Zaantje voor de tweede fase van de bevrijdingsfeesten. Muziek van Heinz Munzonius: Im Gansenmarsch!... 

 

 

Eind juni in het Zaantje teruggekeerd geraakten we in de tweede fase van de bevrijdingsfeesten, die direct na vijf mei waren losgebarsten.

De versieringen in de stad werden verfrist en ik had nog net de tijd om een ergens verkregen stuk triplex van meer dan een vierkante meter met blauw en geel te beschilderen, de kleuren van de Zweedse vlag: een geel kruis op een blauw vlak.

Hoewel materialen schaars waren had mijn  vader toch nog wat verf versierd. Daardoor prijkte op ons huis een blijk van waardering voor de Zweden die ons in de laatste weken van de bezetting van het zeker later zo glorieus omschreven witte brood hadden voorzien.

Een lid van ons vriendengroepje had ergens een echt clownspak op de kop kunnen tikken en we voelden ons hele helden als we door de stad trokken, op zoek naar de feestjes die hier en daar in de wijken werden gehouden.

Wat mij bij die tochten opviel was dat door de luidsprekers vaak dezelfde platen van Heinz Munzonius en nog een orkest met een Duiste accordeonist waren te horen. Er klonk dus constant Duitse muziek door de straten en niemand die er wat van zei of er zich aan stoorde. Ik ook niet, want een nummer als Im Ganzenmarsch (in de Ganzepas, de paradepas van de SS) vond ik als liefhebber van de accordeon echt geweldig. En ik kan Heinz Munzonius via de langspeelplaat nog steeds goed verdragen. Wat muziek niet vermag.

Toen juli en augustus verstreken was het weer tijd voor de normale routine. De school wachtte.

Op de eerste dag van september stapten mijn klasgenoten en ik de klas weer en zetten ons aan de lessen, die klassikaal en met veel inzet van de leerkrachten werden gegeven.

Sir, onze doctor C. van de Spek, van wie een jaar geleden op Dolle Dinsdag de ventieltjes van zijn banden waren ‘gestolen’ was er niet meer. Die zat nog ergens in een van de scholen waar de NSB'ers waren geïnterneerd en wij kregen les van een nieuwe man, Popeye, een grote vent met stevige kaken. Vandaar de spontaan gegeven bijnaam.

Ik weet niet hoe het met mijn medeleerlingen is gegaan. Ik denk evenwel dat ik anders dan de meesten van hen hem niet zozeer miste maar wel zo nu en dan aan hem terugdacht, zoals ik in een eerdere aflevering al eens heb beschreven. Ik durf hier best te bekennen: ik houd van aardige mensen en het moeten al schurken zijn geworden wil ik van dat geloof vallen.

Spekkie was een NSB-er. Maar dat moet een vergissing zijn geweest. Ik geef hem voor de rest van mijn leven het voordeel van mijn twijfel.


(Wordt vervolgd
)

Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Verhalen - Dagelijks Feuilleton 09/03/2007 05:05

    Ons dagelijks Feuilleton

Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet


Deze autobiografie begint  op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 36 gekomen in de periode waarin de jaren op de middelbare school beginnen en een reëel beeld wordt gegeven van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.

 

De Bezetting,
het Dagelijks Leven
 en Het Kleine Verzet

 
door Jan Hof

 

Vervolg 36

 

Maanden wachten op de terugkeer naar huis en ondertussen aardappelen sorteren en bonen schofffelen

 

Ook voor de in Enschede verworven vloeitjes bestond veel belangstelling. Ik verkocht er wat van aan gretige liefhebbers om de kosten er uit te halen en gaf ook nu weer de bulk aan de oom, die er op zijn manier een goed gebruik van heeft gemaakt, denk ik. Volgens mij werden ze op de toekomst gericht gekocht, want ook al glorieerde de bevrijding, tabak bleef nog heel lang schaars. Maar dat gold niet voor iedereen. De echte handige jongens kwamen meestal niets te kort.

De oorlog ging buiten ons gebied nog steeds door en het wachten was op de bevrijding van de rest van ons land. Halverwege april was Drenthe bevrijd en de inmiddels vrij geworden pers kon dagelijks melding maken van de grote vorderingen die de geallieerde legers in Duitsland maakten.

Toen dan eindelijk de Duitsers verslagen waren en het hele land de bevrijding vierde, werd direct het oog gericht op de terugkeer naar Zaandam.

Maar dat viel tegen. De situatie in het land maakte het noodzakelijk dat er geen grote trek naar het westen kon plaatsvinden in verband met de precaire toestand op het gebied van voedsel en het gebrek aan vele andere zaken.

Op vijf mei was iedereen in Nederland bevrijd, maar wij waren niet vrij om te gaan. Ook al stonden de fietsen
klaar.

Dat was een grote teleurstelling voor ons, want al hadden we het alle drie heel goed bij de familie gehad, het verlangen naar huis was niet weg te dringen. We hadden inmiddels wel briefwisseling gehad met de ouders en daarin werd meegedeeld dat ze alles zouden doen om de papieren in orde te krijgen die ons zouden toestaan naar huis terug te keren. Het zou vast niet te lang duren. Maar dat zou wel het geval zijn. Naast mijn familie woonde in een gewoon huis boer Bakker, die op een paar plekken nabij het dorp grond had het. Wij hadden toch niets te doen, doelde hij op mijn neef en ik, en we zouden hem best kunnen helpen met het sorteren van aardappelen op een van zijn locaties. Een kwartje per uur konden we verdienen zegde hij toe. En zo heb ik een paar weken lang aan een grote aardappelzeef gestaan waarop steeds weer een lading veenpiepers werd gegooid die we van slechte moesten ontdoen. Dat werk deden we met z’n vieren,  twee aan elke kant van de zeef, want naast ons waren er nog twee leeftijdgenoten van het dorp gecharterd. Er was nog een vijfde knecht, Koos, een vlotte Haarlemmer van voor in de twintig die in de late herfst bij een razzia was opgepakt om de beruchte graafwerkzaamheden te verrichten. Hij was in Drenthe terechtgekomen, maar wist een paar weken voor de bevrijding te vluchten en werd door een familie uit Erica als onderduiker veilig gesteld. Ook hij maakt dus de bevrijding in Erica mee en trakteerde ons dagelijks met regelmaat op een arsenaal aan moppen, die gretig werden aangehoord. Zijn aanwezigheid vergoedde enigszins de eentonige arbeid die bovendien ook nog onsmakelijke effecten had. De uit de ‘kuil’ of in het dialect ‘koele’ opgeslagen aardappelen bevatten te vaak voor mij rotte exemplaren. Als je daar in greep dan droop de slijmerige smurrie je langs de vingers en het stonk ook nog verschrikkelijk. Ik heb na die tijd wel een jaar nodig gehad om de toen gekweekte aversie tegen aardappelen te overwinnen.

Met deze bezigheid verliep de maand mei en toen de gepote sperzieboontjes op een ander gelegen perceel boven de grond stonden, werden we aan het schoffelen gezet met de zelfde ploeg en dus liepen we met vijf man op een rij langs de kaarsrechte regels plantjes. Ook eentonig werk, maar het weer was goed en dankzij Koos kwamen we toch de dag door.

Ook de maand juni spoedde naar het eind, maar toen kregen we onverwacht bericht van het gemeentehuis in Emmen, waar we ook verzoeken om terug te mogen reizen hadden ingediend.  De vreugde was groot en we maakten ons direct voor de reis gereed. De volgende dag, het was rond 24 juni zijn we opgestapt en naar Zwolle gereden waar we de nacht konden doorbrengen bij een oom van mijn moeder. In de ochtend fietsten we naar Katerveer en stapten daar op de boot die ons met fiets en al naar Amsterdam zou varen. Daar arriveerden we tegen de avond en toen waren de goed tien kilometer van de De Ruiterkade naar ons huis bij de Zaan maar een peulenschil. Om het hardst fietsten we over de Hemweg naar de pont bij de Hembrug en  de laatste kilometer werd in een sprint afgelegd.

Mijn vader, die toevallig voor het huis stond, keek vreemd op toen hij ons zag.

“Waar is moeder?”, was het eerste wat hij zei.

Moeder? Dat weten we niet, regeerden we alle drie tegelijk.

Zijn gezicht verried grote bezorgdheid.

 

Een paar dagen eerder was de permissie los gekomen waarin vermeld stond dat ‘houder dezes; toestemming had om naar de gemeente Emmen te reizen met als doel haar minderjarige kinderen op te halen. Was getekend: Het Militair Gezag.

Twee dagen na onze thuiskomst verscheen moeder aan de deur. Moe van de lange reis heen en terug en van de teleurstelling die zij in Erica had ondergaan toen bleek dat de kinderen vertrokken waren, maar tevreden dat de familie weer vereend was.

Nu was de bevrijding helemaal compleet en kon het gewone gezinsleden weer beginnen.

 

(wordt vervolgd)

 

Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Verhalen - Dagelijks Feuilleton 08/03/2007 03:39

   Ons dagelijks Feuilleton

Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet


Deze autobiografie begint  op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 36 gekomen in de periode waarin de jaren op de middelbare school beginnen en een reëel beeld wordt gegeven van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.

 

De Bezetting,
het Dagelijks Leven
 en Het Kleine Verzet

 
door Jan Hof

 

Vervolg 35

 

Het Wilhelmus met de pet op en na Heinz, Hans en Theo de eerste Amerikaanse film in Enschede

 

Vijf kilometer westwaarts lag het inmiddels bevrijde Schoonebeek maar op Erica werd nog altijd in termen van bezetting gedacht want overal heerste het gevoel  dat de Duitsers nog niet weg waren en dat ze zo maar weer terug konden komen. Het duurde een paar dagen voordat rondging dat ze bij Emmen door soldaten van de Poolse Brigade waren verdreven en het dorp dus echt bevrijd mocht heten. Maar toen kon het plaatselijke muziekcorps op het schoolplein van School 1 het Wilhelmus spelen ten teken dat de bevrijding echt een feit was.

Ik beleefde toen nog een zeer vervelend moment, want toen de eerste maten hadden geklonken kreeg ik plotseling een klap tegen het achterhoofd die vergezeld werd door de uitroep ‘doe die pet van je kop!’

Ik schrok en werd getroffen door een gevoel van grote schaamte. Het Volkslied hoor je blootshoofd aan te horen en ik had inderdaad een pet op. Die had ik een paar weken terug kunnen aanschaffen. Hij leek een beetje op een schipperspet en was uit gevlochten papiertouw vervaardigd. De bescheiden klep hield het kunstige handwerk bij elkaar en ik had er een aardig hoofddeksel aan dat licht en luchtig als het was nauwelijks merkbaar de haren goed bij elkaar hield. Ik was er zo aan gewend geraakt dat ik niet eens merkte dat ik het hoofd bedekt had. De glans van het vreugdevolle gebeuren was er voor mij na dit incident af. Ik schaamde mij diep, vooral omdat vooral die logé  uit Holland beter had moeten. Want zo was het in die tijd ook nog wel. Er werd altijd nog wat opgekeken tegen volk van elders dat ‘hoog’ sprak en niet het dialect van de streek. Als ik naar internationale kampioenschappen zit te kijken en na het uitreiken van de medailles het volkslied van de winnaar wordt gespeeld, houd ik gespannen in de gaten of iedereen, en dan zeker de mensen op het ereschavot, het hoofd wel ontbloot heeft.

Een oorlogstrauma?

Het was een bijzondere tijd. Wij waren bevrijd maar we wisten dat het in het westen van het land nog niet zo ver was. Er was geen contact mogelijk en wat overbleef was de hoop dat het de familie in Zaandam goed ging.

Mijn oom was een hardwerkende en vindingrijke man die altijd wel aan iets bijzonders wist te komen door een spannende ruilhandel. Zo had hij de hand weten te leggen op wat koperen leidingen en ander materiaal dat in elkaar geknutseld een primitieve maar goed werkende jeneverstokerij opleverde. Mijn neef en ik waren daar ook een beetje bij betrokken, want wij zorgden enige malen voor de toevoer van de nodige turf als brandstof in het dwergkacheltje dat de warmte moest leveren voor het distillatieproces. Ook hielpen wij wel met het schoonmaken van een partijtje suikerbieten die in plaats van gerst of ander koren als grondsof dienden.

Het was een langdurig en tot verveling leidend proces maar dat werd meer dan beloond met het zien van de druppels alcohol die aan het eind van de leiding in een fles werden opgevangen.
Er zijn zo een paar liter eigen stook jenever vervaardigd. Het mocht niet, maar er had zóveel niet gemogen. In deze clandestiene productie werd dus geen enkel kwaad gezien. Mijn neef heeft er zelfs nog een echt avontuur aan beleefd omdat hij een keer als koerier naar Emmen ging om daar een halve of een hele fles jenever af te leveren. Hij werd door een paar mannen van de CCD (de Crisis Controle Dienst die jacht maakte op illegale handel) aangehouden en heeft bijna een etmaal op het politiebureau van Emmen doorgebracht. Hij werd daar geruime tijd verhoord. maar slaagde erin zonder strafgevolgen vrij te komen omdat hij een ijzersterk verhaal ophing over hoe hij onschuldig voor iemand een boodschap had moeten doen. Nee, wie dat was wist hij niet. Hij wilde die man gewoon een plezier doen.

Ik heb dit verhaal alleen van horen zeggen, want in de tweede helft van april ben ik naar het al sinds 3 april bevrijde Enschede gefietst om daar en groot aantal familieleden te bezoeken.

Daar heb ik toen de eerste Amerikaanse film gezien waarvan de titel onuitwisbaar in mijn herinnering

is gebeiteld: 'To Dive at Dawn’, een verhaal over een duikboot die een spionagetocht naar Japan maakte. Spannend, weet ik nog. Natuurlijk, dat was nog eens wat anders dan de lachfilms van Heinz, Hans en Theo.

Ik heb de film in de vergane ruim zestig jaren een paar keer weer gezien. Ook weer spannend?

Het was een doorsnee oorlogsfilm, die mij weinig bekend voor kwam.

Maar die titel staat onwrikbaar in mijn herinnering gebeiteld.

Uit Enschede teruggekeerd had ik weer wat bijzonders. Nu geen sigaretten, maar wel een partijtje sigarettenvloeitjes. En die waren ook zeer gewild.


(Wordt vervolgd)
Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Reuring
Uw reclame hier?



3389919
Naar boven
WebDesign en hosting: BMT Media