Ons dagelijks Feuilleton
Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet
Deze autobiografie begint op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet’ wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 38 gekomen in de periode waarin de jaren op de middelbare school beginnen en een reëel beeld wordt gegeven van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.
De Bezetting,
het Dagelijks Leven
en Het Kleine Verzet
door Jan Hof
Aflevering 38
M'n vader bij de BS en de Gezagstroepen en
onzichtbare onderduikers in de buurt
Ik heb de bezettingsjaren dus heel bewust meegemaakt. En ik heb getracht en indruk te geven van het alledaagse leven in oorlogstijd zoals een opgroeiende jongen daar mee te maken had en er tegenaan keek.
Er zijn geen spectaculaire zaken gememoreerd want die hebben zich niet voorgedaan. Eigenlijk ging het échte verzet aan je voorbij. Daar hoorde je zo nu en dan van, maar het bleef op een afstand. En dat moest natuurlijk ook.
Wie er middenin zat keek wel uit om daar grote verhalen over rond te bazuinen. Het heet te zijn dat er sprake was van een te grote loslippigheid bij de mensen en daaruit stamt dan ook de uitspraak:
‘Er is in de oorlogsjaren nergens meer gepraat dan in het land van Willem de Zwijger’.
Aardig gevonden, maar in het algemeen niet waar.
Er werd gepraat. Er werd gekletst, er werd wel eens onverantwoord gepraat, vooral om interessant te lijken, maar dat dit echt gevaarlijke vormen heeft aangenomen ik geloof ik niet.
Na terugkeer ben ik al gauw verscheidene keren met het tegendeel geconfronteerd geweest.
Tóen pas hoorde ik waar in de buurt onderduikers hadden gezeten, toen pas hoorde ik dat de buurman van twee huizen verderop betrokken was geweest bij de aanslag op het Gewestelijk Arbeidsbureau in Zaandam, een grote verzetsdaad die vernietiging beoogde van het registratiemateriaal van vooral de mannelijke bevolking. Wel wist ik dat hij ondergedoken zat want hij was altijd afwezig en zijn zoon, die even oud was als ik, had eens verteld dat-ie stiekem z’n vader had ontmoet en dat die een snor had laten staan voor de nieuwe pasfoto van zijn vervalste persoonsbewijs.
Naast het huis van deze verzetsman woonde een familie waar alle jaren ook veel contact mee was geweest en waar ik bij gelegenheid wel eens over de vloer kwam. Nooit heb ik geweten dat daar verscheidene onderduikers enige tijd hebben doorgebracht.
Hoe gesloten ook de directe omgeving is geweest bleek de dag na onze terugkeer in Zaandam.
Ik trof bij het ontbijt mijn vader aan in het uniform van de Gezagstroepen en hij had ook korporaalstekens op de mouwen. Dat uniform had de direct na de bevrijding verschafte blauwe overal met de oranje band en daarop de letters BS (van Binnenlandse Strijdkrachten) vervangen.
Er had zich die laatste paar jaar op De Fabriek kennelijk toch meer verzetswerk voorgedaan waar wij geen weet van hadden.
En dan de geschiedenis van een lid van de knokploeg van de grote verzetsleider Bob Scheepstra, het hoofd van de LKP, die mij vele jaren na de oorlog schetste als een van zijn beste mensen. Dat was Geert Schoonman, die in de Delftse Rij veertien huizen van ons vandaan woonde. Al was hij verscheidene jaren ouder, ik kende hem goed.
Nooit heeft er een verhaal de ronde gedaan dat Geert Schoonman ‘in het verzet’ zat.
Voor de capitulatie had ik hem nog wel eens gezien in een uniform. Hij was, hoorde ik vele jaren later, grenscommies in Twente en daar direct in het verzet gegaan en heeft als lid van de in verzetskringen befaamde Knokploeg Twente en later rond Arnhem opererend, deel uitgemaakt van de knokploegen die op 11 mei 1944 de stichter van de LO-LKP Frits de Zwerver (illegale naam voor de Drentse dominee Fredrik Slomp) uit de Koepel in Arnhem haalde. Een maand later speelde hij een belangrijke rol bij de grootste gevangeniskraak uit de geschiedenis van het verzet, die op het Huis van Bewaring in Arnhem, waaruit 55 verzetsstrijders werden bevrijd.
Hij vond zijn tragisch einde in een vuurgevecht met de SD en werd door de moffen op het vliegveld Twente onder de grond gespit. Maar dat is bijna twee jaar lang onbekend gebleven.
Als die tijd werd naar zijn lichaam en dat van een paar andere verzetsmannen gezocht, en eerst nadat een gevangen zittende SD-officier had verteld waar de lichamen van de geëxecuteerden lagen, konden ze worden opgegraven. De moeder, vader en oudere zus van Geert hebben al die tijd in de grootst mogelijke onzekerheid verkeerd. Een drama. En zo dichtbij.
(wordt vervolgd)