AsserJournaal
zondag 2 december 2007
De SWA bouwt!
www.swa-assen.nl
 
 
AsserJournaal
Uitg. Stichting
Press Support

Hfd.red. Jan Hof
Tel.(0592) 37 10 17

Colofon (meer >>)

BMT Media
Reuring
Verhalen - Even een verhaaltje 04/11/2007 03:37

Verhaal voor de Jeugd
en voor Ouderen)

 

Vandaag uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met vertellingen en sprookjes uit het oude Rusland, het verhaal ‘De Neus van Berkenschors’.

 

  De Neus van Berkenschors

 

Op een avond zei grootvader tegen grootmoeder: “Maak eens wat beschuiten klaar. Ik heb lang niet gejaagd en morgen ga ik naar het woud.”

“Je hebt lang niet gejaagd, dat is waar, maar het heeft ook geen enkele zin”, mopperde grootmoeder.

“Wil je soms dat de woudgeesten je verslinden?”

“Wat je nu al zeurt over woudgeesten, ik ga in elk geval”, antwoordde grootvader.

En de oudjes gingen slapen.
De volgende morgen stond grootvader op en vroeg:

”Heb je nu de beschuiten klaargemaakt of hoe zit dat?”

“Nee”, antwoordde grootmoeder, “en jij gaat niet naar het woud.”

“Dat doe ik wel!” zei grootvader.

“Je doet het niet!” zei grootmoeder.

De halve dag ruzieden ze op deze manier voort. De zon was al weer halverwege naar de kim gezakt toen grootvader eindelijk het huis verliet. Het was een heel eind naar zijn jachthut waar hij als jongen menigmaal had gebivakkeerd. De zon zonk steeds lager, het begon te schemeren en tenslotte werd het donker en nog had grootvader de tocht naar zijn jachthut niet volbracht.

“Grootmoeder krijgt nog gelijk”, dacht hij bij zichzelf. “Als het zo doorgaat, krijgen de woudgeesten me inderdaad te pakken. Was ik maar niet op jacht gegaan.”

Hij was zo bang dat zijn benen bibberden. Maar hij ging verder. Hij was ondertussen dicht in de buurt gekomen. Door de bomen zag hij licht doorstralen. Hij kwam naderbij – en ja, het licht kwam uit het raam van zijn jachthut.

“Waarschijnlijk een jager die in mijn hut wil overnachten”, dacht grootvader. “Gezellig, dan zijn we samen.”

Maar voorzichtig als hij was, ging hij niet meteen naar binnen, maar keek eerst door het raam. O, wat een schrik! Bij het haardvuur zaten twee geweldige woudgeesten met blote, behaarde armen en blote, behaarde benen. De ene was bezig met het villen van een roodharig dier, de ander stroopte het vel van een zwartharig dier af. Grootvader stapte geschrokken achteruit en zette zijn voet op een berkentak, die met een hard gekraak knapte.

“Oei!” schreeuwde een woudgeest met schorre stem.

“Aai!” riep de andere.

“Waarom zijn we eigenlijk zo bang?” vroeg de eerste woudgeest bibberend.

“Dat weet ik ook niet”, antwoordde de tweede. “Bestaat er ergens ter wereld iemand die sterker is dan wij? Bestaat er iemand op de wereld, die groter is dan wij?” En hij bibberde eveneens.

“Wat was dat dan voor een geluid?” vroeg de eerste woudgeest.

“Misschien knapte er een berkentakje”, zei de tweede.

“O, wees toch stil, mijn hart klopt me in de keel van angst! Wat zei je, wat was dat voor een geluid?”

“Er is een berkentakje geknapt!”

“Hou toch op! Hoe kan dat nu knappen?”

Grootvader hoorde alles en dacht: “Ik zie wel wie de grootste angst heeft. En binnenkort zullen we zien wie er nog erger zal schrikken!”

Hij brak een stukje berkenschors af, maakte er een kapje van en zette dat op zijn neus. Nu had hij een zeer lange neus. Hij stak zijn hoofd door het raam en riep:

“De berkenneus komt op bezoek! Hu-hu-hu!”

De woudgeesten sprongen overeind, gooiden de deur open en renden blindelings weg. Het geluid van hun dravende voeten daverde door het nachtelijke woud.

Grootvader zette de deur die de woudgeesten er in hun haast hadden uitgegooid weer op zijn plaats, ging de jachthut binnen en maakte het bed klaar.

Of hij nog gejaagd heeft of niet, dat weten we niet.

 Einde

Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Reuring
Uw reclame hier?



3498002
Naar boven
WebDesign en hosting: BMT Media