AsserJournaal
zaterdag 1 december 2007
De SWA bouwt!
www.swa-assen.nl
 
 
AsserJournaal
Uitg. Stichting
Press Support

Hfd.red. Jan Hof
Tel.(0592) 37 10 17

Colofon (meer >>)

Reuring
BMT Media
Verhalen - Even een verhaaltje 06/11/2007 02:05

Ons verhaal voor de jeugd
(en voor OUDEREN)

Vandaag het tweede deel van het verhaal ‘Het Levenswater’ uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen uit het oude Rusland, vertaald en bewerkt door Leni Hof-Hoogland.

 

Het Levenswater (2 en slot)

 

Hoe dan ook, hij ging op weg.

Hij legde grote afstanden af, maar vond nergens andere sporen dan die van hazen. Plotseling kwam hij op het spoor van een sabeldier. De Tofalare voelde de jachtkoorts in zich opkomen.

“Zo’n goede buit mag ik me niet laten ontgaan!” dacht hij. “Als ik het sabeldier heb gevangen kan ik altijd nog naar het vreselijke roofdier zoeken.”

De jager spoorde het sabeldier op en doodde het. Hij vilde het en ging verder. Hij zocht het hele land van de eeuwige mensen af, maar vond geen enkel spoor van een gevaarlijk dier.

Hij keerde terug naar de kleine mensen en zei:

“Ik heb het gevaarlijke dier niet gevonden. Ik heb alleen een sabeldier buitgemaakt.” En hij toonde de huid.

“Dat is hem! Dat is hem!” riepen de kleine mensen. “O, wat een enorm vel, wat een dikke poten en wat een scherpe klauwen!”

Het oudste mensje met het witte haar zei tegen de Tofalare:

“Je hebt goed werk gedaan! We zullen jou en de jouwen die goede daad met goed vergelden. Binnenkort kun je ons bij je thuis verwachten en dan nemen we levenswater voor je mee. Als je je daarmee wast, zul je ook het eeuwige leven hebben.”

De Tofalare sprong weer over het moeras en keerde terug in zijn dal. Daar vertelde hij zijn familie en vrienden wat hem was overkomen.

En nu was het wachten op de gasten, de eeuwige mensjes. Er ging een dag voorbij, nog een dag, een derde dag, een vierde dag en nog vele daarna, maar de mensjes kwamen niet. De Tofalaren wachtten niet langer op hen en vergaten de belofte.

Het werd winter. Alles was dichtgevroren, ook het grote moeras. Op een dag gingen de vrouwen naar het woud om rijshout te halen. Plotseling zagen zij een grote groep hazen aan komen springen. Toen ze goed keken zagen ze dat de hazen gezadeld waren en dat ze een klein mensje op de rug hadden. De kleine mensjes hadden allemaal een heel klein kroesje in de hand. De vrouwen vonden dit zo’n komisch gezicht, dat ze in lachen uitbarstten.

“Moet je zien, moet je zien!” riepen ze tegen elkaar.

“Die rijden op hazen!”

“Wat zien ze er gek uit!”

“O, wat koddig!”

“Ik lach me slap!”

De eeuwige mensjes voelden zich beledigd. De voorste, een oud baasje met wit haar, riep hen iets toe. Daarna schonken ze allemaal het water uit hun kroesjes op de grond, keerden hun hazen en begonnen aan de terugtocht.
Al snel waren zelfs de witte staartjes van de hazen uit het gezicht verdwenen.

En zo is het gekomen, dat de Tofalaren het levenswater niet hebben gekregen. De cederbomen, sparren en dennen hebben er wel van gedronken. En sindsdien blijven ze het hele jaar groen en verliezen ze hun naalden nooit.

 

(Einde)

 

 

 

Dit artikel afdrukken Reageren op dit artikel

Reuring
Uw reclame hier?



3495130
Naar boven
WebDesign en hosting: BMT Media