Ons dagelijks Feuilleton
Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet
Deze autobiografie begint op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet’ wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 40 gekomen in de periode waarin het land is bevrijd en de gedachten teruggaan naar wat er werkelijk tijdens de bezetting gebeurde. Toen pas kwam aan het licht dat in de omgeving zonder dat anderen daar ook maar iets van wisten onderduikers waren ondergebracht. Er volgden verrassende ontdekkingen.
De Bezetting,
Het Dagelijks Leven
en Het Kleine Verzet
door Jan Hof
Aflevering 40
Een ‘vrij normaal' leven en geen weet van wat er met de joden gebeurde.
Ik heb geprobeerd een indruk te geven van een tijd die nooit eerder en ook niet vergelijkbaar in de geschiedenis heeft bestaan. Van het leven in een tijd die nu al zestig jaar achter ons ligt. Van de huidige bevolking zijn het alleen de mensen van zeventig jaar af die nog duidelijke herinneringen hebben aan de bezettingsjaren. Naarmate men een stuk ouder is staat die tijd onuitwisbaar in het geheugen gegrift. Dat zijn ruw geschat nog maar een miljoen mensen.
Allen die buiten deze categorie vallen hebben er geen weet van en kunnen zich, heel begrijpelijk, geen voorspelling maken van die tijd. Ik heb bij de aanvang van deze memoires geschreven dat er bij heel veel mensen de indruk heeft bestaan en nog bestaat dat de wereld van toen een donker gat was met dreiging alom, een unheimisch bestaan.
Ik heb geprobeerd te schilderen dat het dagelijks leven echter vrij normaal verliep en dat het overgrote deel van de bevolking niet met bezettingsgeweld werd geconfronteerd. Wel was er veel aanvoelbaar leed, want meer dan 600.000 manen in de leeftijd van achttien tot begin veertig waren in Duitsland en dan vooral in de zwaar bestookte industriegebieden werkzaam. De zorgen om de vaders en zonen waren begrijpelijk groot en bij menige familie kwam het bericht binnen dat zoon of vader in Duitsland om het leven was gekomen.
De grote terreur die er was werd uitgeoefend op de groep van 140.000 joodse Nederlanders, maar die ging aan de massa van het volk voorbij, hoe vreemd dat na alles wat we nu weten van de verschrikkelijke Holocaust ook moge klinken. Dat woord is pas na de oorlog gebruikt. Iedereen wist dat de joden vervolgd werden. De eerste tekenen daarvan waren al in de herfst figuurlijk zichtbaar toen bekende joodse hoogleraren een ‘berufsverbot’ kregen en werden ‘kaltgestelt’, maar niemand is er ooit achter gekomen wat er in de Duitse en Poolse kampen gebeurde.
Toen de jodenster werd ingevoerd was de zichtbaarheid letterlijk. Joden mochten niet meer in openbare gelegenheden komen. Overal verschenen op de ramen van café ’s biljetten met de tekst ‘Voor Joden Verboden’. Die tekst trof mij het hardst toen ik als elfjarige die bij de toegangspoort van mijn favoriete voetbalclub in Zaandam aangeplakt zag en enige tijd later hoorde ik dat Bobby Prijs niet meer in het eerste elftal van mijn favoriete voetbalclub ZFC mocht spelen, opdat hij jood was. Ik had dat nooit geweten, net zo min als ik daarvoor wist dat Elsie Smit, die bijna vijf jaar bij mij in de klas had gezeten een jodinnetje was. Ze zag er helemaal niet anders uit. Bobby heb ik van dat moment af niet meer gezien, ook niet als toeschouwer. Er was mij nooit iets aan hem opgevallen anders dan dat hij altijd perfect gekleed was en zorgvuldig gekapt zwart achterover gekamd haar had. Eerst na de bevrijding zag ik hem weer. Hij was de holocaust ontkomen en keerde in een Engels uniform in Zaandam terug, omdat hij een tijd in het Engelse leger had gediend. Over de bijzonderheden daarvan heb ik nooit niets gehoord.
In het nieuwe voetbalseizoen speelde hij weer lustig als rechtsbuiten mee in het eerste en pas toen viel het mij op dat hij een echt jood uiterlijk had. Het was mij als net twaalf jaar geworden jongen nooit opgevallen. Elsie Smit heeft het kamp niet overleefd. Op haar kom ik aan het slot van mijn verhandeling over de oorlogsjaren nog terug.
Als ik het heb gehad over een ‘vrij normaal dagelijks leven', wil dat niet zeggen dat er geen ellende was, en er geen schrijnende dingen gebeurden. Daarvoor hoef ik alleen maar de beruchte hongerwinter ’44-’45 te noemen, waarin zich de meest afschuwelijke toestanden hebben voorgedaan en waarin vooral in het westen van het land veel leed is geschied.
(Wordt vervolgd)