Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag van de geschiedenis van de reus Wistsch-Otyr, deel negen en slot.
Het verhaal van de reus Wistsch-Otyr (9 en slot)
Nu trok de oudste broer zijn zwaard uit de schede en begon op het vijandelijke leger in te hakken. Wistsch-Otyr deed het hem na. Als de oudste broer naar links uithaalde, sloeg de jongste naar rechts. Sloeg de oudste naar rechts, dan sloeg de jongste naar links. Alle woudgeesten, die de stenenregen hadden overleefd, werden geveld.
De broers lieten hun sabels rusten en keken om zich heen. Alle woudgeesten waren dood, alleen de opperwoudgeest Menk-Oika en zijn broer Pirch-Kamka-Sort-Kamka waren nergens te zien, dood of levend.
“Ze zijn van schrik gevlucht!” zei de oudste broer. “We moeten ze achterna. Wie van de twee wil jij voor je rekening nemen?”
“Degene met wie ik heb gestreden”, zei Wistsch-Otyr. “Ik zal Menkw-Oika opsporen.”
“Zoals je wilt”, gaf de oudste broer toe. “Maar onthoud dit: als je geen kracht meer hebt, als je zwak wordt, zeg dan niets. Zwijg en denk alleen aan mij.”
De twee broers volgden de sporen. De oudste broer ging naar links, de jongste naar rechts. Wistsch-Otyr moest een lange afstand afleggen voor hij eindelijk de zes meter lange woudgeest vond. Menkw-Oika zat op een omgevallen boom en huilde bittere tranen. Toen hij Wistsch-Otyr zag, sprong hij overeind.
“Goed, hoe zullen we vechten?” vroeg hij. “Met pijl en boog of met blote handen.”
“Met pijl en boog hebben we het al geprobeerd”, antwoordde Wistsch-Otyr. “Maar met blote handen nog niet. We kennen de kracht van elkaars armen niet. Laten we beginnen!”
Ze pakten elkaar beet. De grond onder hun voeten dreunde, de bomen om hen heen beefden als rietstengels. Dan weer was de woudgeest aan de winnende hand, dan weer Wistsch-Otyr. Maar hoe dan ook, de zes meter lange Menkw-Oika was nu eenmaal sterker. Wistsch-Otyr zakte door de knieën. Zijn armen en benen werden zwak.
De woudgeest drukte Wistsch-Otyr op de grond, trok zijn mes en wilde de reus de keel doorsnijden.
“Lieve broer”, dacht Wistsch-Otyr, “als je bij me was, hoefde ik de dood niet onder ogen te zien.”
Hij had dit nog maar net gedacht of er klapwiekte een vogel over hen heen, die riep “Tsjoe! Tsjoe!”
Menkw-Oika keek op en zijn greep verslapte. Meteen glipte Wistsch-Otyr onder hem uit. Hij wierp de woudgeest op de grond, drukte hem neer en stak hem zijn mes in het hart.
Toen hij omhoog keek, zag hij op een tak een uil zitten. De uil keek hem aan, sprong naar beneden en veranderde zich in de oudste broer. Hij zei:
“Hier ligt Menkw-Oika. Zijn broer Pirch-Kamka-Sort-Kamka ligt verderop aan de rand van het bos. Nu hebben we geen vijanden meer. Ga naar je vrouw en naar je zoon.”
Ze gingen naar huis en richtten een feestmaal aan. Ook de zeven broers aan de bovenloop van de rivier Onku-Jach werden uitgenodigd. De vrouw van Wistsch-Otyr, het zusje van de zeven broers, heette hen vriendelijk welkom. Het verdriet dat zij haar hadden aangedaan, was zij vergeten.
Ook de broers waren de onenigheid vergeten en zij verzoenden zich.
Nog erg lang leefde Wistsch-Otyr met zijn vrouw in geluk en vreugde. Zijn zoon groeide op tot een flinke reus, die het bracht tot sprookjesverteller en liedjeszanger.
En dat is dan het einde van de geschiedenis van de reus Wistsch-Otyr.