Verhaal voor de Jeugd
(en voor OUDEREN)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’’, met vertellingen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag het verhaal‘Het Levenswater’.
Het levenswater (1)
Heel, heel lang geleden werden de naalden van cederbomen, sparren en dennen elke herfst geel en vielen in de winter van de takken.
In die tijd ging een Tofalare eens op jacht. Hij was lange tijd onderweg. Nog nooit was een jager zo ver gegaan als hij. Hij kwam bij een moeras dat zo groot was dat geen dier er overheen kon komen en geen vogel er overheen kon vliegen.
“Als onze dieren er niet heen kunnen lopen en onze vogels er niet naar toe kunnen vliegen, wat zal er dan aan de andere kant van het moeras te zien zijn?” vroeg de Tofalare zich af.
Hij was zo nieuwsgierig om dat aan de weet te komen, dat hij het niet meer uithield.
“Hoe het ook zij, ik moet er heen!” dacht hij.
Hij nam een reuze aanloop en sprong over het moeras.
Hij keek eens om zich heen – precies dezelfde aarde, precies hetzelfde gras, precies dezelfde bomen.
“Ik had de sprong niet hoeven wagen”, zei de Tofalare tot zichzelf.
Plotseling zag hij iets dat zijn mond wijd open deed staan van verbazing. Op een plek in het bos stonden gezadelde hazen. Ze stonden daar rustig en vriendelijk te wachten. Toen kwamen uit holletjes in de grond mensen tevoorschijn. Ze zagen er precies zo uit als mensen, zoals wij die kennen, maar ze waren alleen heel klein. Als een haas de oren in de nek legde, was zo’n mensje groter dan hij, stak de haas de oren op, dan was hij groter de moerasmensjes.
“Wie zijn jullie?” vroeg de Tofalare.
“Wij zijn de eeuwige mensen”, antwoordden de kleine mensjes. “Wij wassen ons met levenswater, daarom sterven wij niet. En wie ben jij?”
“Ik ben een jager.”
De mensjes waren blij. “Geweldig!” riepen ze allemaal.
Een van de mensjes, waarschijnlijk de oudste, want hij had spierwit haar, kwam naar voren en zei: “Er is in ons land een verschrikkelijk groot dier opgedoken. We weten niet waar hij vandaan is gekomen, maar hij is gevaarlijk. Nog kortgeleden heeft hij iemand van ons aangevallen en hem de keel doorgesneden.
Wij zijn eeuwig en sterven niet vanzelf, maar het roofdier heeft de man vermoord. Kun jij ons helpen in onze strijd tegen het gevaarlijke dier? Je zegt immers dat je een jager bent?”
“Waarom zou ik jullie niet helpen?” antwoordde de Tofalare, maar hij dacht: “Als ik het maar kan winnen van dat grote verschrikkelijke dier!”