Ons dagelijks Feuilleton
Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet
Deze autobiografie begint op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet’ wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen.
De Bezetting,
het Dagelijks Leven
en Het Kleine Verzet
door Jan Hof
Aflevering 43
De per trein gearriveerde goed duizend gevangenen waren op een klein aantal na – meestal mannen – binnen een dag na hun aankomst al vergast. Op weg naar die gaskamers werden zij overeenkomstig het perfide systeem er door bewakers vriendelijk op gewezen dat zij goed zouden worden ontvangen en niets te vrezen hadden. De vriendelijke weg naar de gaskamers werd de Himmelfahrtsweg genoemd.
De gedachte eraan is verschrikkelijk, het lot dat de mensen in de overvolle gaskamers waar het Zyklon B zuur zijn werk deed, onbeschrijflijk
Mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden vonden daar de verstikkingsdood.
De as van hun verbrande lichamen werd in de bossen bij Sobibor verspreid. Het is een onherkenbaar massagraf van grote omvang geworden dat alleen maar anonimiteit uitstraalt.
Na een grote tocht door de Baltische Staten besloot ik op de terugreis een omweg naar Oost-Polen te maken om op een vredige zonnige ochtend in september 2002 een bezoek aan Sobibór te brengen, gelegen in het uiterste oosten, tegen de grens van Wit-Rusland aan. Een verlaten bosrijk gebied, duivels uitgezocht door de architecten van Hitlers moordbrigade, de SS.
Sobibór was zestig jaren terug het begin van de hel op aarde voor 250.000 joden, onder wie bijna 40.000 uit Nederland, sinds maart 1942 daar veroordeeld tot de snelle dood in de gaskamers Tot in oktober 1943, toen er een opstand uitbrak die het einde van het kamp betekende, werden daar per dag bijna 5000 mensen omgebracht, een reusachtige dodenfabriek.
De herinnering aan deze ongekende massamoord wordt nabij het 300 inwoners tellende dorpje in stand gehouden door de aanwezigheid van een grote gedenkmuur en door een alleen Pools sprekende gids beheerd gebouw waarin door middel van foto's, een maquette en teksten in het Pools de geschiedenis van het kamp sober wordt verteld.
Wij, mijn vrouw Leni en ik, zijn de enige bezoekers.
Het 'seizoen' is ten einde. Zo'n 1000 mensen zijn ons dit jaar voor gegaan. Ook enige Nederlanders, te lezen in het bezoekersboek. Weinig Nederlanders. Nog geen twintig.
Aan een van de wanden grote plaquettes met daarop vermeld de aankomst van de treinen en de precieze aantallen mensen die ermee aangevoerd werden.
Van de trein die op 4 mei l943 uit Westerbork vertrok, staat vermeld:
Aankomst 7 mei. Aantal 1187.
Dat was de trein van Elsje Smit en haar familie uit Zaandam.
De geschiedenis, hoe waar ook voorheen, nog eens keihard bevestigd.
Dit bezoek was de confrontatie die ik zocht.
Ook nu hoorde ik van verre het schaterende lachje van Elsie uit de eerste en tweede klas en ik zal het later vele malen meer zeker wéér horen. Maar nu ik heb gezien waar zij met die goederentrein arriveerde en uit moest stappen heb ik mij ter plekke voor de geest gehaald hoe zij haar korte weg naar de dood moest vervolgen. En daarmee was mijn verleden met haar gecompleteerd.
Van dat hele kamp is niets meer over. De SS-ers hebben het na de opstand volledig van de aarde gebuldozerd, nog voor dat de Russische troepen in aantocht waren.
Alleen dat verlaten en verwaarloosde stationnetje en de vier spoorbanen bestaan nog, waarvan er dus één eindigt tot even voorbij het betonnen perron.
Een station van verhoogd beton, erlangs de rails bedekt met gras.
Geen trein die daar stopte, geen fel geschreeuw, geen grauw Befehl.
Geen stemmen van moeders gekweld door de zorg om hun kinderen die in de massa verdrukt uit het zicht zijn verdwenen.
Maar ik zag in de onwerkelijke stilte in mijn geest Elsje's laatste gang. En heb in het bezoekersboek dat in het museum lag, afscheid van haar kunnen nemen.
l
Ik heb daar even stil gestaan, daar bij die rails.
En waar ik stond gekeken naar de bossen
waar zij, tot as vergaan,
haar laatste rustplaats vond.
Daar bij die rails, daar ligt een boek waarin bezoek een
eigen woord mag schrijven.
Ik heb dat voor háár ook gedaan,
voor haar die hier moest blijven.
De letters zijn wat slordig en de
regels staan wat scheef,
want in mijn ogen waren tranen toen ik Elsie’s grafschrift schreef.
Ik stond daar op dat triest perron,
waar zij móést arriveren,
veroordeeld tot een laatste gang
om nimmer weer te keren.
Ik heb daar op ’t station gestaan.
Geen trein vertrok, geen trein kwam aan.
Voor Elsie Smit géén weg terug
Maar ik mocht rustig verder gaan.
Daarom na Sobibór de vraag,
die tot het eind blijft kleven:
Waarom is Elsie doodgegaan
en mocht ik blijven leven.
Sobibór, 10 september 2002
Jan Hof