Ons dagelijks Feuilleton
Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet
Deze autobiografie begint op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet’ wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 36 gekomen in de periode waarin de jaren op de middelbare school beginnen en een reëel beeld wordt gegeven van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.
De Bezetting,
het Dagelijks Leven
en Het Kleine Verzet
door Jan Hof
Vervolg 36
Maanden wachten op de terugkeer naar huis en ondertussen aardappelen sorteren en bonen schofffelen
Ook voor de in Enschede verworven vloeitjes bestond veel belangstelling. Ik verkocht er wat van aan gretige liefhebbers om de kosten er uit te halen en gaf ook nu weer de bulk aan de oom, die er op zijn manier een goed gebruik van heeft gemaakt, denk ik. Volgens mij werden ze op de toekomst gericht gekocht, want ook al glorieerde de bevrijding, tabak bleef nog heel lang schaars. Maar dat gold niet voor iedereen. De echte handige jongens kwamen meestal niets te kort.
De oorlog ging buiten ons gebied nog steeds door en het wachten was op de bevrijding van de rest van ons land. Halverwege april was Drenthe bevrijd en de inmiddels vrij geworden pers kon dagelijks melding maken van de grote vorderingen die de geallieerde legers in Duitsland maakten.
Toen dan eindelijk de Duitsers verslagen waren en het hele land de bevrijding vierde, werd direct het oog gericht op de terugkeer naar Zaandam.
Maar dat viel tegen. De situatie in het land maakte het noodzakelijk dat er geen grote trek naar het westen kon plaatsvinden in verband met de precaire toestand op het gebied van voedsel en het gebrek aan vele andere zaken.
Op vijf mei was iedereen in Nederland bevrijd, maar wij waren niet vrij om te gaan. Ook al stonden de fietsen
klaar.
Dat was een grote teleurstelling voor ons, want al hadden we het alle drie heel goed bij de familie gehad, het verlangen naar huis was niet weg te dringen. We hadden inmiddels wel briefwisseling gehad met de ouders en daarin werd meegedeeld dat ze alles zouden doen om de papieren in orde te krijgen die ons zouden toestaan naar huis terug te keren. Het zou vast niet te lang duren. Maar dat zou wel het geval zijn. Naast mijn familie woonde in een gewoon huis boer Bakker, die op een paar plekken nabij het dorp grond had het. Wij hadden toch niets te doen, doelde hij op mijn neef en ik, en we zouden hem best kunnen helpen met het sorteren van aardappelen op een van zijn locaties. Een kwartje per uur konden we verdienen zegde hij toe. En zo heb ik een paar weken lang aan een grote aardappelzeef gestaan waarop steeds weer een lading veenpiepers werd gegooid die we van slechte moesten ontdoen. Dat werk deden we met z’n vieren, twee aan elke kant van de zeef, want naast ons waren er nog twee leeftijdgenoten van het dorp gecharterd. Er was nog een vijfde knecht, Koos, een vlotte Haarlemmer van voor in de twintig die in de late herfst bij een razzia was opgepakt om de beruchte graafwerkzaamheden te verrichten. Hij was in Drenthe terechtgekomen, maar wist een paar weken voor de bevrijding te vluchten en werd door een familie uit Erica als onderduiker veilig gesteld. Ook hij maakt dus de bevrijding in Erica mee en trakteerde ons dagelijks met regelmaat op een arsenaal aan moppen, die gretig werden aangehoord. Zijn aanwezigheid vergoedde enigszins de eentonige arbeid die bovendien ook nog onsmakelijke effecten had. De uit de ‘kuil’ of in het dialect ‘koele’ opgeslagen aardappelen bevatten te vaak voor mij rotte exemplaren. Als je daar in greep dan droop de slijmerige smurrie je langs de vingers en het stonk ook nog verschrikkelijk. Ik heb na die tijd wel een jaar nodig gehad om de toen gekweekte aversie tegen aardappelen te overwinnen.
Met deze bezigheid verliep de maand mei en toen de gepote sperzieboontjes op een ander gelegen perceel boven de grond stonden, werden we aan het schoffelen gezet met de zelfde ploeg en dus liepen we met vijf man op een rij langs de kaarsrechte regels plantjes. Ook eentonig werk, maar het weer was goed en dankzij Koos kwamen we toch de dag door.
Ook de maand juni spoedde naar het eind, maar toen kregen we onverwacht bericht van het gemeentehuis in Emmen, waar we ook verzoeken om terug te mogen reizen hadden ingediend. De vreugde was groot en we maakten ons direct voor de reis gereed. De volgende dag, het was rond 24 juni zijn we opgestapt en naar Zwolle gereden waar we de nacht konden doorbrengen bij een oom van mijn moeder. In de ochtend fietsten we naar Katerveer en stapten daar op de boot die ons met fiets en al naar Amsterdam zou varen. Daar arriveerden we tegen de avond en toen waren de goed tien kilometer van de De Ruiterkade naar ons huis bij de Zaan maar een peulenschil. Om het hardst fietsten we over de Hemweg naar de pont bij de Hembrug en de laatste kilometer werd in een sprint afgelegd.
Mijn vader, die toevallig voor het huis stond, keek vreemd op toen hij ons zag.
“Waar is moeder?”, was het eerste wat hij zei.
Moeder? Dat weten we niet, regeerden we alle drie tegelijk.
Zijn gezicht verried grote bezorgdheid.
Een paar dagen eerder was de permissie los gekomen waarin vermeld stond dat ‘houder dezes; toestemming had om naar de gemeente Emmen te reizen met als doel haar minderjarige kinderen op te halen. Was getekend: Het Militair Gezag.
Twee dagen na onze thuiskomst verscheen moeder aan de deur. Moe van de lange reis heen en terug en van de teleurstelling die zij in Erica had ondergaan toen bleek dat de kinderen vertrokken waren, maar tevreden dat de familie weer vereend was.
Nu was de bevrijding helemaal compleet en kon het gewone gezinsleden weer beginnen.
(wordt vervolgd)