Ons dagelijks Feuilleton
Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet
Deze autobiografie begint op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet’ wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 37 gekomen in de periode waarin de jaren op de middelbare school beginnen en een reëel beeld wordt gegeven van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.
De Bezetting,
het Dagelijks Leven
en Het Kleine Verzet
door Jan Hof
Vervolg 37
Terug in het Zaantje voor de tweede fase van de bevrijdingsfeesten. Muziek van Heinz Munzonius: Im Gansenmarsch!...
Eind juni in het Zaantje teruggekeerd geraakten we in de tweede fase van de bevrijdingsfeesten, die direct na vijf mei waren losgebarsten.
De versieringen in de stad werden verfrist en ik had nog net de tijd om een ergens verkregen stuk triplex van meer dan een vierkante meter met blauw en geel te beschilderen, de kleuren van de Zweedse vlag: een geel kruis op een blauw vlak.
Hoewel materialen schaars waren had mijn vader toch nog wat verf versierd. Daardoor prijkte op ons huis een blijk van waardering voor de Zweden die ons in de laatste weken van de bezetting van het zeker later zo glorieus omschreven witte brood hadden voorzien.
Een lid van ons vriendengroepje had ergens een echt clownspak op de kop kunnen tikken en we voelden ons hele helden als we door de stad trokken, op zoek naar de feestjes die hier en daar in de wijken werden gehouden.
Wat mij bij die tochten opviel was dat door de luidsprekers vaak dezelfde platen van Heinz Munzonius en nog een orkest met een Duiste accordeonist waren te horen. Er klonk dus constant Duitse muziek door de straten en niemand die er wat van zei of er zich aan stoorde. Ik ook niet, want een nummer als Im Ganzenmarsch (in de Ganzepas, de paradepas van de SS) vond ik als liefhebber van de accordeon echt geweldig. En ik kan Heinz Munzonius via de langspeelplaat nog steeds goed verdragen. Wat muziek niet vermag.
Toen juli en augustus verstreken was het weer tijd voor de normale routine. De school wachtte.
Op de eerste dag van september stapten mijn klasgenoten en ik de klas weer en zetten ons aan de lessen, die klassikaal en met veel inzet van de leerkrachten werden gegeven.
Sir, onze doctor C. van de Spek, van wie een jaar geleden op Dolle Dinsdag de ventieltjes van zijn banden waren ‘gestolen’ was er niet meer. Die zat nog ergens in een van de scholen waar de NSB'ers waren geïnterneerd en wij kregen les van een nieuwe man, Popeye, een grote vent met stevige kaken. Vandaar de spontaan gegeven bijnaam.
Ik weet niet hoe het met mijn medeleerlingen is gegaan. Ik denk evenwel dat ik anders dan de meesten van hen hem niet zozeer miste maar wel zo nu en dan aan hem terugdacht, zoals ik in een eerdere aflevering al eens heb beschreven. Ik durf hier best te bekennen: ik houd van aardige mensen en het moeten al schurken zijn geworden wil ik van dat geloof vallen.
Spekkie was een NSB-er. Maar dat moet een vergissing zijn geweest. Ik geef hem voor de rest van mijn leven het voordeel van mijn twijfel.
(Wordt vervolgd)