Ons dagelijks Feuilleton
Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet
Deze autobiografie begint op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet’ wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en geeft een reëel beeld van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.
De Bezetting,
het Dagelijks Leven
en Het Kleine Verzet
door Jan Hof
Aflevering 41.
Nooit te vergeten beelden en verhalen van
en over de honger die de mensen teisterde.
Er zijn tijdens de bezettingsjaren meer dan 25000 burgers door het oorlogsgeweld in zijn verschillende vormen om het leven gekomen. Dat waren in hoofdzaak mensen die tegen de bezetters opstonden en door hun verzetsdaden in handen van de SD vielen. Van hen werden velen al of niet na een proces doodgeschoten; de meesten kwamen om in de Nederlandse maar vooral in de Duitse concentratiekampen waartoe ze veroordeeld waren.
Maar er zijn ook enige duizenden kinderen en vooral oude mensen van de honger gestorven in die beruchte hongerwinter.
Mijn familie, heb ik al gememoreerd, heeft daar niet onder geleden en in mijn naaste omgeving was ik ook geen getuige van de schrijnende gevallen waar pas later, na de oorlog, wat over bekend werd door de foto’s die in de vrije bladen waren te zien en nu nog in de boeken die er over die tijd zijn verschenen. Daarop zijn zielig magere kinderen en in bed liggende bijna stervende ouden van dagen te zien, beelden die veel weg hebben van wat we steeds terugkerend uit landen waar honger heerst zien.
Honger. Ik heb verteld hoe die vooral het laatste half jaar heerste in het gezin van mijn vrouw. Daar was de gaarkeuken de enige bron van voeding en al heel lange tijd hoe slecht ook, het kon nog slechter. Het toppunt werd bereikt toen er suikerbieten gemengd met gewone rode bieten uit de gamellen kwamen. Dat was zulk walgelijk eten dat de herinnering daaraan bij het meisje van tien van toen nog steeds afkeer bestaat van rode bietjes. Alleen al het zien ervan is een straf.
Dat de stampot bieten alles sloeg wat er in de gaarkeukentijd werd opgediend blijkt uit het feit dat diezelfde middag zestien bewoners uit de buurt bij de familie aanbelde om daar hun porties aan te bieden. Er was daar al iets van geproefd en ze werden geweigerd, ondanks de heersende honger.
Het meest ontluisterende beeld van waartoe honger de mens kan drijven is dat van mijn leraar Frans. Ik zag hem aan het einde van het jaar enige malen in de Havenbuurt van de langs de kant van de Zaan opgestelde lege gamellen van de gaarkeuken de deksels wegnemen om daarna met zijn arm zo ver mogelijk gestrekt met een lepel de zijkanten en de bodem van etensresten te ontdoen.
Ik schrok ervan iemand van zijn signatuur zo bezig te zien. Ik had dat zelfs van kinderen nog nooit gezien en vond het voor hem zo vernederend dat ik probeerde hem voorbij te gaan zonder dat hij mij kon opmerken.
Charles, zoals wij hem noemden (alle leraren hadden bijnamen) was de eerste echte leraar die ik in mijn leven zag. Toen ik eind juni ’41 toelatingsexamen moest doen voor de middelbare school, kwam hij net het lokaal binnen waarin de kandidaten zenuwachtig bijeenzaten in afwachting van de spannende dingen die zouden gaan gebeuren. Daar stond een deftige man voor de klas, zwart haar, dito snor en een donker stemgeluid. Hij maakte veel indruk en dat bleef hij als leraar ook de jaren die volgden doen.
Over hem hoorde ik eerst kort voor het verlaten van de school dat hij als officier het leger had gezeten. In de mobilisatietijd liep hij als hij met verlof op weg naar en van zijn huis was, door iedereen gezien als een eche militair door de staat. Een opvallende figuur.
Ook hij was een goede, betrokken leraar die in de klassen respect afdwong. Hij leerde ons de tekst van de Marseillaise en liet die ons ook nog a capella zingen, evenals de prachtige Franse chanson Menilmontant. Een enkele keer hoor ik dat lied over een van de bekende Franse quartiers wel eens, en dat brengt mij dan ogenblikkelijk terug bij de erudiete Charles.
Wat was het dat mij zo siekem langs die doctor in de Franse Taal en Literatuur deed gaan?
En waarom ben ik van de vier of vijf keren dat ik hem bij die gamellen zag nooit een keer naar hem toegegaan om hem te vragen of ik hem wat aardappelen en wat roggemeel mocht brengen?
Ik durfde dat niet, of beter gezegd, ik wilde het niet omdat ik bang was dat hij het vervelend zou hebben gevonden dat een leerling hem daar in die gamellen had zien schrapen.
Tot op de dag van vandaag weet ik nog niet wat ik had moeten doen. Ik neig er naar te denken dat ik het juiste heb gedaan. Mijn familie had de zijne (vijf kinderen) nooit kunnen helpen en die paar kilo aardappelen en nog wat hadden geen gewicht in de schaal geworpen als het om het tekort aan eten ging. Dat was te structureel.
Ik heb de leraar Frans na de oorlog nog een vol studiejaar mogen meemaken. Hij heeft zelf nooit met enige gene in mijn richting hoeven kijken of een repetitie ‘uit dankbaarheid’ wat milder beoordelen. Toen ik op het eindexamen bij hem en een gecomitteerde aan een tafeltje zat om wat vragen te beantwoorden over een van de verplicht gelezen boeken, was hij vriendelijk en hier en daar als betrokken leraar wat rekkelijk, waardoor ik er met een goede voldoende afkwam en nog redelijk goed ook, want ik had ‘Fidji, fils du dessert’ tussen neus en lippen door echt wel een beetje gelezen.
De herinnering aan die leraar Frans is voor mij onuitwisbaar.
Het beeld dat ik steeds voor ogen krijg is de vertaling van wat onderdrukking betekent en wat mensen er aan vernederingen door moeten ondergaan.
Het is het Verzet geweest dat met grote offers heeft gestreden tegen de onderdrukkers.
Van dat verzet heb ik vanwege de leeftijd geen deel kunnen uitmaken, zomin als trouwens ook miljoenen ouderen niet in directe zin hebben gedaan.
Door het Kleine Verzet een beetje uit te lichten hoop ik wat inzicht te hebben gegeven over hoe de jaren verliepen. Het is bijzonder belangrijk geweest want het gaf de mensen geest en leven.
Wat het ‘Grote Verzet’ betreft kan ik alleen maar zeggen dat ik altijd de grootste bewondering heb gehad voor de mensen die zich daarmee hebben belast. Dat waren de ware helden. Van hen zijn er duizenden in de strijd gesneuveld, hebben er duizenden in concentratiekampen zwaar geleden en hebben duizenden na de bevrijding gevangen gezeten in trauma’s en steeds terugkerende nachtmerries waarin alles wat was weer werd beleefd.
Hun lijden en sterven, maar ook de daden van de overlevenden hebben mij ertoe gebracht over hen te schrijven opdat in herinnering blijve waar mensen in hun beste uren toe in staat zijn.
Het is mijn eerbetoon aan al die grote zonen en dochters van ons volk die klaar stonden toen ze geroepen werden alles wat er goed en rechtvaardig is, te verdedigen. Zo nodig tot de dood er op volgde.
Want wie in vrijheid leven wil moet de bereidheid hebben ervoor te willen sterven, ook voor de medemens.
(Wordt vervolgd)