Ons dagelijks Feuilleton
Uit het Leven van een
Gezagsgetrouwe Anarchist
en Dorpse Cosmopoliet
Deze autobiografie begint op de ochtend van de tiende mei van het jaar 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen. De schrijver was toen elf jaar en heeft dus van zijn elfde tot en met zijn zestiende levensjaar de oorlog meegemaakt. In het hoofdstuk ‘De Bezetting, Het Dagelijks Leven en Het Kleine Verzet’ wordt de periode 1940-1945 beschreven, die de belangrijkste en meest dramatische was uit de geschiedenis van ons land.
Het verhaal begint op de ochtend van de tiende mei 1940 toen de Duitsers ons land binnenvielen en is met aflevering 36 gekomen in de periode waarin de jaren op de middelbare school beginnen en een reëel beeld wordt gegeven van het ‘gewone’ leven in oorlogstijd.
De Bezetting,
het Dagelijks Leven
en Het Kleine Verzet
door Jan Hof
Vervolg 35
Het Wilhelmus met de pet op en na Heinz, Hans en Theo de eerste Amerikaanse film in Enschede
Vijf kilometer westwaarts lag het inmiddels bevrijde Schoonebeek maar op Erica werd nog altijd in termen van bezetting gedacht want overal heerste het gevoel dat de Duitsers nog niet weg waren en dat ze zo maar weer terug konden komen. Het duurde een paar dagen voordat rondging dat ze bij Emmen door soldaten van de Poolse Brigade waren verdreven en het dorp dus echt bevrijd mocht heten. Maar toen kon het plaatselijke muziekcorps op het schoolplein van School 1 het Wilhelmus spelen ten teken dat de bevrijding echt een feit was.
Ik beleefde toen nog een zeer vervelend moment, want toen de eerste maten hadden geklonken kreeg ik plotseling een klap tegen het achterhoofd die vergezeld werd door de uitroep ‘doe die pet van je kop!’
Ik schrok en werd getroffen door een gevoel van grote schaamte. Het Volkslied hoor je blootshoofd aan te horen en ik had inderdaad een pet op. Die had ik een paar weken terug kunnen aanschaffen. Hij leek een beetje op een schipperspet en was uit gevlochten papiertouw vervaardigd. De bescheiden klep hield het kunstige handwerk bij elkaar en ik had er een aardig hoofddeksel aan dat licht en luchtig als het was nauwelijks merkbaar de haren goed bij elkaar hield. Ik was er zo aan gewend geraakt dat ik niet eens merkte dat ik het hoofd bedekt had. De glans van het vreugdevolle gebeuren was er voor mij na dit incident af. Ik schaamde mij diep, vooral omdat vooral die logé uit Holland beter had moeten. Want zo was het in die tijd ook nog wel. Er werd altijd nog wat opgekeken tegen volk van elders dat ‘hoog’ sprak en niet het dialect van de streek. Als ik naar internationale kampioenschappen zit te kijken en na het uitreiken van de medailles het volkslied van de winnaar wordt gespeeld, houd ik gespannen in de gaten of iedereen, en dan zeker de mensen op het ereschavot, het hoofd wel ontbloot heeft.
Een oorlogstrauma?
Het was een bijzondere tijd. Wij waren bevrijd maar we wisten dat het in het westen van het land nog niet zo ver was. Er was geen contact mogelijk en wat overbleef was de hoop dat het de familie in Zaandam goed ging.
Mijn oom was een hardwerkende en vindingrijke man die altijd wel aan iets bijzonders wist te komen door een spannende ruilhandel. Zo had hij de hand weten te leggen op wat koperen leidingen en ander materiaal dat in elkaar geknutseld een primitieve maar goed werkende jeneverstokerij opleverde. Mijn neef en ik waren daar ook een beetje bij betrokken, want wij zorgden enige malen voor de toevoer van de nodige turf als brandstof in het dwergkacheltje dat de warmte moest leveren voor het distillatieproces. Ook hielpen wij wel met het schoonmaken van een partijtje suikerbieten die in plaats van gerst of ander koren als grondsof dienden.
Het was een langdurig en tot verveling leidend proces maar dat werd meer dan beloond met het zien van de druppels alcohol die aan het eind van de leiding in een fles werden opgevangen.
Er zijn zo een paar liter eigen stook jenever vervaardigd. Het mocht niet, maar er had zóveel niet gemogen. In deze clandestiene productie werd dus geen enkel kwaad gezien. Mijn neef heeft er zelfs nog een echt avontuur aan beleefd omdat hij een keer als koerier naar Emmen ging om daar een halve of een hele fles jenever af te leveren. Hij werd door een paar mannen van de CCD (de Crisis Controle Dienst die jacht maakte op illegale handel) aangehouden en heeft bijna een etmaal op het politiebureau van Emmen doorgebracht. Hij werd daar geruime tijd verhoord. maar slaagde erin zonder strafgevolgen vrij te komen omdat hij een ijzersterk verhaal ophing over hoe hij onschuldig voor iemand een boodschap had moeten doen. Nee, wie dat was wist hij niet. Hij wilde die man gewoon een plezier doen.
Ik heb dit verhaal alleen van horen zeggen, want in de tweede helft van april ben ik naar het al sinds 3 april bevrijde Enschede gefietst om daar en groot aantal familieleden te bezoeken.
Daar heb ik toen de eerste Amerikaanse film gezien waarvan de titel onuitwisbaar in mijn herinnering
is gebeiteld: 'To Dive at Dawn’, een verhaal over een duikboot die een spionagetocht naar Japan maakte. Spannend, weet ik nog. Natuurlijk, dat was nog eens wat anders dan de lachfilms van Heinz, Hans en Theo.
Ik heb de film in de vergane ruim zestig jaren een paar keer weer gezien. Ook weer spannend?
Het was een doorsnee oorlogsfilm, die mij weinig bekend voor kwam.
Maar die titel staat onwrikbaar in mijn herinnering gebeiteld.
Uit Enschede teruggekeerd had ik weer wat bijzonders. Nu geen sigaretten, maar wel een partijtje sigarettenvloeitjes. En die waren ook zeer gewild.
(Wordt vervolgd)