Ons verhaal voor de jeugd
Ter gelegenheid van de kerst even een onderbreking van het lopende verhaal voor de jeugd: nu het achtste deel van het kerstverhaal ’De wonderlijke kerst van vadertje Panov’, van de Russische schrijver Ljev Nikolajevitsj Tolstoj, vertaald en bewerkt door Leni Hof-Hoogland.
‘De wonderlijke kerst van Vadertje Panov’ (8)
Allerlei mensen liepen zijn winkeltje voorbij, kinderen, oude mannetjes, bedelaars en omaatjes, vrolijke mensen en sombere mensen; hij glimlachte tegen sommigen, knikte tegen anderen en aan bedelaars gaf hij een geldstuk of een stuk brood.
Maar Jezus kwam niet.
Het begon te schemeren, en vadertje Panov begon de moed te verliezen. De grijze decembermist kroop de straat in en spoedig kon hij de vormen al niet meer onderscheiden van de weinige mensen die voorbij het raam kwamen.
Treurig stak de oude schoenmaker zijn olielamp aan, stookte het vuur op en maakte iets voor zichzelf klaar om te eten.
Toen hij klaar was, ging hij terneergeslagen in de grote rieten stoel zitten, pakte zijn boek en begon te lezen. Maar het was hem zwaar om het hart en zijn ogen waren te moe om de woorden op de bladzijden te onderscheiden.
“Het was dus toch alleen maar een droom”, zei hij treurig in zichzelf. “Ik wilde het zo graag geloven. Ik wilde zo graag dat hij zou komen.”
Twee dikke tranen welden op achter zijn brilletje en vulden zijn ogen, zodat hij bijna niets meer kon zien.
Maar opeens leek het of er iemand in de kamer was. Door zijn tranen heen meende vadertje Panov dat hij een groep mensen door de winkel zag lopen. De straatveger was er, en de vrouw met haar kindje – alle mensen die hij die dag had gezien en gesproken.
(wordt vervolgd)