AsserJournaal
Uitg. Stichting
Press Support
Hfd.red. Jan Hof
Tel.(0592) 37 10 17
Colofon (meer >>)
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
07/11/2007 03:09 |
|
Verhaal voor de Jeugd
(en voor OUDEREN)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met vertellingen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag het verhaal ‘Hoe het Wylka op de zee verging’.
Hoe het Wylka op
de zee verging (1)
Het dorpje waar Wylka woonde, stond middenin de bergen. Wylka bezat veel rendieren en had een goed huis. Zijn oudere zuster zorgde voor hem. Zij was als een moeder voor hem en als zij hem raad gaf, ging alles goed. Helaas luisterde Wylka niet altijd naar haar. Op een avond zat hij bij de haard. Hij verveelde zich en zei:
“Ik heb er schoon genoeg van altijd op dezelfde plaats te zijn. De rivieren stromen van de bergen naar de zee. Ik wil ook naar de zee en jagen op zeedieren.”
“Waarom wil je op zee varen?” vroeg zijn zuster. “En waarom wil je zeedieren vangen? Onze rendierkudde is groot en we hebben volop vlees en vet.”
“We hebben vlees en vet genoeg”, zei Wylka, “maar dat heb ik niet nodig. Ik heb een nieuw tuig nodig. Het tuig van walrusleer, dat nog van opa is geweest, is versleten. Ik moet een nieuw tuig maken.”
“Maar broer”, zei zijn zuster, “het hoeft toch niet juist van walrusleer te zijn. Slacht drie rendieren en snijd repen van de huiden. Als je die driedubbel naait, zal het tuig sterker zijn dan dat van walrusleer. Dan spannen we de rendieren in en zoeken in het dorp verderop een bruid voor je.”
Wylka en zijn zuster spraken niet meer. Ze gingen slapen.
Wylka werd al wakker voordat het licht was. Hij maakte zijn zuster niet wakker en kleedde zich aan zonder het vuur aan te maken. Hij ging naar buiten en dreef de rendieren bijeen. Met een lasso ving hij de vijf sterkste stieren. Die spande hij voor de slee, waarbij hij een jong, wit dier als leider nam. Daarna ging hij in de hut terug. Of hij iets at, weten we niet, maar hij pakte wel een grote voorraad gekookt vlees op de slee.
Zijn zuster werd wakker en zei:
“O, Wylka, waarom doe je zo dwaas? Je weet helemaal niet hoe je dieren moet vangen en je zult op zee ten onder gaan. Je bent zo lang als een zomerdag, maar zo kortzichtig als een winterdag. Ga niet weg!”
“Ik moet gaan!” antwoordde Wylka koppig. En hij vertrok.
Rechts stroomde een klein riviertje in de richting van de zee. Wylka stuurde zijn rendieren langs de oever van dat riviertje.
Op een plaats waar veel losse stenen lagen, stroomde het riviertje langzamer. Wylka bracht de slee tot stilstand, haalde zijn tinnen tabaksdoos voor de dag en strooide wat snuiftabak op zijn hand. Het achterste rendier nieste.
“Waarom heeft het rendier geniest?” dacht Wylka. “Misschien ga ik op zee werkelijk ten onder. Zal ik maar teruggaan?”
(wordt vervolgd)
|
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
06/11/2007 02:05 |
|
Ons verhaal voor de jeugd
(en voor OUDEREN)
Vandaag het tweede deel van het verhaal ‘Het Levenswater’ uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen uit het oude Rusland, vertaald en bewerkt door Leni Hof-Hoogland.
Het Levenswater (2 en slot)
Hoe dan ook, hij ging op weg.
Hij legde grote afstanden af, maar vond nergens andere sporen dan die van hazen. Plotseling kwam hij op het spoor van een sabeldier. De Tofalare voelde de jachtkoorts in zich opkomen.
“Zo’n goede buit mag ik me niet laten ontgaan!” dacht hij. “Als ik het sabeldier heb gevangen kan ik altijd nog naar het vreselijke roofdier zoeken.”
De jager spoorde het sabeldier op en doodde het. Hij vilde het en ging verder. Hij zocht het hele land van de eeuwige mensen af, maar vond geen enkel spoor van een gevaarlijk dier.
Hij keerde terug naar de kleine mensen en zei:
“Ik heb het gevaarlijke dier niet gevonden. Ik heb alleen een sabeldier buitgemaakt.” En hij toonde de huid.
“Dat is hem! Dat is hem!” riepen de kleine mensen. “O, wat een enorm vel, wat een dikke poten en wat een scherpe klauwen!”
Het oudste mensje met het witte haar zei tegen de Tofalare:
“Je hebt goed werk gedaan! We zullen jou en de jouwen die goede daad met goed vergelden. Binnenkort kun je ons bij je thuis verwachten en dan nemen we levenswater voor je mee. Als je je daarmee wast, zul je ook het eeuwige leven hebben.”
De Tofalare sprong weer over het moeras en keerde terug in zijn dal. Daar vertelde hij zijn familie en vrienden wat hem was overkomen.
En nu was het wachten op de gasten, de eeuwige mensjes. Er ging een dag voorbij, nog een dag, een derde dag, een vierde dag en nog vele daarna, maar de mensjes kwamen niet. De Tofalaren wachtten niet langer op hen en vergaten de belofte.
Het werd winter. Alles was dichtgevroren, ook het grote moeras. Op een dag gingen de vrouwen naar het woud om rijshout te halen. Plotseling zagen zij een grote groep hazen aan komen springen. Toen ze goed keken zagen ze dat de hazen gezadeld waren en dat ze een klein mensje op de rug hadden. De kleine mensjes hadden allemaal een heel klein kroesje in de hand. De vrouwen vonden dit zo’n komisch gezicht, dat ze in lachen uitbarstten.
“Moet je zien, moet je zien!” riepen ze tegen elkaar.
“Die rijden op hazen!”
“Wat zien ze er gek uit!”
“O, wat koddig!”
“Ik lach me slap!”
De eeuwige mensjes voelden zich beledigd. De voorste, een oud baasje met wit haar, riep hen iets toe. Daarna schonken ze allemaal het water uit hun kroesjes op de grond, keerden hun hazen en begonnen aan de terugtocht.
Al snel waren zelfs de witte staartjes van de hazen uit het gezicht verdwenen.
En zo is het gekomen, dat de Tofalaren het levenswater niet hebben gekregen. De cederbomen, sparren en dennen hebben er wel van gedronken. En sindsdien blijven ze het hele jaar groen en verliezen ze hun naalden nooit.
(Einde)
|
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
05/11/2007 01:38 |
|
Verhaal voor de Jeugd
(en voor OUDEREN)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’’, met vertellingen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag het verhaal‘Het Levenswater’.
Het levenswater (1)
Heel, heel lang geleden werden de naalden van cederbomen, sparren en dennen elke herfst geel en vielen in de winter van de takken.
In die tijd ging een Tofalare eens op jacht. Hij was lange tijd onderweg. Nog nooit was een jager zo ver gegaan als hij. Hij kwam bij een moeras dat zo groot was dat geen dier er overheen kon komen en geen vogel er overheen kon vliegen.
“Als onze dieren er niet heen kunnen lopen en onze vogels er niet naar toe kunnen vliegen, wat zal er dan aan de andere kant van het moeras te zien zijn?” vroeg de Tofalare zich af.
Hij was zo nieuwsgierig om dat aan de weet te komen, dat hij het niet meer uithield.
“Hoe het ook zij, ik moet er heen!” dacht hij.
Hij nam een reuze aanloop en sprong over het moeras.
Hij keek eens om zich heen – precies dezelfde aarde, precies hetzelfde gras, precies dezelfde bomen.
“Ik had de sprong niet hoeven wagen”, zei de Tofalare tot zichzelf.
Plotseling zag hij iets dat zijn mond wijd open deed staan van verbazing. Op een plek in het bos stonden gezadelde hazen. Ze stonden daar rustig en vriendelijk te wachten. Toen kwamen uit holletjes in de grond mensen tevoorschijn. Ze zagen er precies zo uit als mensen, zoals wij die kennen, maar ze waren alleen heel klein. Als een haas de oren in de nek legde, was zo’n mensje groter dan hij, stak de haas de oren op, dan was hij groter de moerasmensjes.
“Wie zijn jullie?” vroeg de Tofalare.
“Wij zijn de eeuwige mensen”, antwoordden de kleine mensjes. “Wij wassen ons met levenswater, daarom sterven wij niet. En wie ben jij?”
“Ik ben een jager.”
De mensjes waren blij. “Geweldig!” riepen ze allemaal.
Een van de mensjes, waarschijnlijk de oudste, want hij had spierwit haar, kwam naar voren en zei: “Er is in ons land een verschrikkelijk groot dier opgedoken. We weten niet waar hij vandaan is gekomen, maar hij is gevaarlijk. Nog kortgeleden heeft hij iemand van ons aangevallen en hem de keel doorgesneden.
Wij zijn eeuwig en sterven niet vanzelf, maar het roofdier heeft de man vermoord. Kun jij ons helpen in onze strijd tegen het gevaarlijke dier? Je zegt immers dat je een jager bent?”
“Waarom zou ik jullie niet helpen?” antwoordde de Tofalare, maar hij dacht: “Als ik het maar kan winnen van dat grote verschrikkelijke dier!”
|
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
04/11/2007 03:37 |
|
Verhaal voor de Jeugd
en voor Ouderen)
Vandaag uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met vertellingen en sprookjes uit het oude Rusland, het verhaal ‘De Neus van Berkenschors’.
De Neus van Berkenschors
Op een avond zei grootvader tegen grootmoeder: “Maak eens wat beschuiten klaar. Ik heb lang niet gejaagd en morgen ga ik naar het woud.”
“Je hebt lang niet gejaagd, dat is waar, maar het heeft ook geen enkele zin”, mopperde grootmoeder.
“Wil je soms dat de woudgeesten je verslinden?”
“Wat je nu al zeurt over woudgeesten, ik ga in elk geval”, antwoordde grootvader.
En de oudjes gingen slapen.
De volgende morgen stond grootvader op en vroeg:
”Heb je nu de beschuiten klaargemaakt of hoe zit dat?”
“Nee”, antwoordde grootmoeder, “en jij gaat niet naar het woud.”
“Dat doe ik wel!” zei grootvader.
“Je doet het niet!” zei grootmoeder.
De halve dag ruzieden ze op deze manier voort. De zon was al weer halverwege naar de kim gezakt toen grootvader eindelijk het huis verliet. Het was een heel eind naar zijn jachthut waar hij als jongen menigmaal had gebivakkeerd. De zon zonk steeds lager, het begon te schemeren en tenslotte werd het donker en nog had grootvader de tocht naar zijn jachthut niet volbracht.
“Grootmoeder krijgt nog gelijk”, dacht hij bij zichzelf. “Als het zo doorgaat, krijgen de woudgeesten me inderdaad te pakken. Was ik maar niet op jacht gegaan.”
Hij was zo bang dat zijn benen bibberden. Maar hij ging verder. Hij was ondertussen dicht in de buurt gekomen. Door de bomen zag hij licht doorstralen. Hij kwam naderbij – en ja, het licht kwam uit het raam van zijn jachthut.
“Waarschijnlijk een jager die in mijn hut wil overnachten”, dacht grootvader. “Gezellig, dan zijn we samen.”
Maar voorzichtig als hij was, ging hij niet meteen naar binnen, maar keek eerst door het raam. O, wat een schrik! Bij het haardvuur zaten twee geweldige woudgeesten met blote, behaarde armen en blote, behaarde benen. De ene was bezig met het villen van een roodharig dier, de ander stroopte het vel van een zwartharig dier af. Grootvader stapte geschrokken achteruit en zette zijn voet op een berkentak, die met een hard gekraak knapte.
“Oei!” schreeuwde een woudgeest met schorre stem.
“Aai!” riep de andere.
“Waarom zijn we eigenlijk zo bang?” vroeg de eerste woudgeest bibberend.
“Dat weet ik ook niet”, antwoordde de tweede. “Bestaat er ergens ter wereld iemand die sterker is dan wij? Bestaat er iemand op de wereld, die groter is dan wij?” En hij bibberde eveneens.
“Wat was dat dan voor een geluid?” vroeg de eerste woudgeest.
“Misschien knapte er een berkentakje”, zei de tweede.
“O, wees toch stil, mijn hart klopt me in de keel van angst! Wat zei je, wat was dat voor een geluid?”
“Er is een berkentakje geknapt!”
“Hou toch op! Hoe kan dat nu knappen?”
Grootvader hoorde alles en dacht: “Ik zie wel wie de grootste angst heeft. En binnenkort zullen we zien wie er nog erger zal schrikken!”
Hij brak een stukje berkenschors af, maakte er een kapje van en zette dat op zijn neus. Nu had hij een zeer lange neus. Hij stak zijn hoofd door het raam en riep:
“De berkenneus komt op bezoek! Hu-hu-hu!”
De woudgeesten sprongen overeind, gooiden de deur open en renden blindelings weg. Het geluid van hun dravende voeten daverde door het nachtelijke woud.
Grootvader zette de deur die de woudgeesten er in hun haast hadden uitgegooid weer op zijn plaats, ging de jachthut binnen en maakte het bed klaar.
Of hij nog gejaagd heeft of niet, dat weten we niet.
Einde
|
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
03/11/2007 03:12 |
|
Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag van de geschiedenis van de reus Wistsch-Otyr, deel negen en slot.
Het verhaal van de reus Wistsch-Otyr (9 en slot)
Nu trok de oudste broer zijn zwaard uit de schede en begon op het vijandelijke leger in te hakken. Wistsch-Otyr deed het hem na. Als de oudste broer naar links uithaalde, sloeg de jongste naar rechts. Sloeg de oudste naar rechts, dan sloeg de jongste naar links. Alle woudgeesten, die de stenenregen hadden overleefd, werden geveld.
De broers lieten hun sabels rusten en keken om zich heen. Alle woudgeesten waren dood, alleen de opperwoudgeest Menk-Oika en zijn broer Pirch-Kamka-Sort-Kamka waren nergens te zien, dood of levend.
“Ze zijn van schrik gevlucht!” zei de oudste broer. “We moeten ze achterna. Wie van de twee wil jij voor je rekening nemen?”
“Degene met wie ik heb gestreden”, zei Wistsch-Otyr. “Ik zal Menkw-Oika opsporen.”
“Zoals je wilt”, gaf de oudste broer toe. “Maar onthoud dit: als je geen kracht meer hebt, als je zwak wordt, zeg dan niets. Zwijg en denk alleen aan mij.”
De twee broers volgden de sporen. De oudste broer ging naar links, de jongste naar rechts. Wistsch-Otyr moest een lange afstand afleggen voor hij eindelijk de zes meter lange woudgeest vond. Menkw-Oika zat op een omgevallen boom en huilde bittere tranen. Toen hij Wistsch-Otyr zag, sprong hij overeind.
“Goed, hoe zullen we vechten?” vroeg hij. “Met pijl en boog of met blote handen.”
“Met pijl en boog hebben we het al geprobeerd”, antwoordde Wistsch-Otyr. “Maar met blote handen nog niet. We kennen de kracht van elkaars armen niet. Laten we beginnen!”
Ze pakten elkaar beet. De grond onder hun voeten dreunde, de bomen om hen heen beefden als rietstengels. Dan weer was de woudgeest aan de winnende hand, dan weer Wistsch-Otyr. Maar hoe dan ook, de zes meter lange Menkw-Oika was nu eenmaal sterker. Wistsch-Otyr zakte door de knieën. Zijn armen en benen werden zwak.
De woudgeest drukte Wistsch-Otyr op de grond, trok zijn mes en wilde de reus de keel doorsnijden.
“Lieve broer”, dacht Wistsch-Otyr, “als je bij me was, hoefde ik de dood niet onder ogen te zien.”
Hij had dit nog maar net gedacht of er klapwiekte een vogel over hen heen, die riep “Tsjoe! Tsjoe!”
Menkw-Oika keek op en zijn greep verslapte. Meteen glipte Wistsch-Otyr onder hem uit. Hij wierp de woudgeest op de grond, drukte hem neer en stak hem zijn mes in het hart.
Toen hij omhoog keek, zag hij op een tak een uil zitten. De uil keek hem aan, sprong naar beneden en veranderde zich in de oudste broer. Hij zei:
“Hier ligt Menkw-Oika. Zijn broer Pirch-Kamka-Sort-Kamka ligt verderop aan de rand van het bos. Nu hebben we geen vijanden meer. Ga naar je vrouw en naar je zoon.”
Ze gingen naar huis en richtten een feestmaal aan. Ook de zeven broers aan de bovenloop van de rivier Onku-Jach werden uitgenodigd. De vrouw van Wistsch-Otyr, het zusje van de zeven broers, heette hen vriendelijk welkom. Het verdriet dat zij haar hadden aangedaan, was zij vergeten.
Ook de broers waren de onenigheid vergeten en zij verzoenden zich.
Nog erg lang leefde Wistsch-Otyr met zijn vrouw in geluk en vreugde. Zijn zoon groeide op tot een flinke reus, die het bracht tot sprookjesverteller en liedjeszanger.
En dat is dan het einde van de geschiedenis van de reus Wistsch-Otyr.
|
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
02/11/2007 04:03 |
|
Verhaal voor de Jeugd (en ook Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met vertellingen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag deel acht van het verhaal van de Reus Wistsch-Otyr.
Het verhaal van de reus Wistsch-Otyr (8)
De zuster deed wat haar was gevraagd. Bij de oudste broer aangekomen, zei ze: “Oudste broer, kom gauw mee om onze jongste broer te helpen. Hij vecht al drie dagen en drie nachten met de woudgeest en de pees van de boog heeft hem de huid van de vingers geschuurd. Zijn krachten raken uitgeput.”
De oudste broer lachte alleen maar: “Ik ben toch geen mens? Ik ben een wetsteen. Dat heeft Wistsch-Otyr zelf gezegd. Als zijn wapens stomp zijn geworden, kan hij ze aan mij komen scherpen. Maar ik ga niet naar hem toe!”
De zuster brak in tranen uit en liep terug door de ondergrondse gang. Wistsch-Otyr luisterde naar wat ze te vertellen had, maar hij zei niets. Hij pakte zijn pijl en boog en schoot de eerste pijl af. Tien woudgeesten, die achter elkaar stonden, werden tegelijkertijd doorboord. De tweede pijl deed twintig woudgeesten ter aarde storten.
Menkw-Oika op zijn beurt hakte met zijn broer de eerste drie rijen van de palissade om en drong door tot de vierde rij.
Weer vochten ze drie dagen zonder te eten en drie nachten zonder te slapen. Wistsch-Otyr was aan het einde van zijn krachten en de witte botjes van zijn vingers lagen bloot.
“Hé, laten we even pauzeren!” riep hij de woudgeest toe. “Laat ons eten en uitrusten!”
Menkw-Oika was daar wel voor te vinden. Hij wilde ook graag eten en rusten.
Wistsch-Otyr ging niet naar zijn eigen huis, maar liep door de ondergrondse gang naar zijn broer. Hij trok de zware deur van lariksstammen open en stapte over de hoge drempel. Na de begroeting, waarbij de oudste broer niets zei, stopte deze een vette rendierkop in de pan en hing de pan boven het vuur. Het vlees was spoedig gaar. De broers aten en dronken. En zwegen.
Tegen de muur stond een grote koffer. De oudste broer deed het deksel open en haalde een grote zak van lynxhuid tevoorschijn. Uit de zak kwam een pantserhemd. Het was gemaakt van koperen ringen en ijzerdraad en het glansde als zilver en goud. De oudste broer trok het aan en deed zijn met spechtensnavels versierde ceintuur om. Hij pakte zijn zwaard en sprak toen de eerste woorden:
“Laat ons gaan!”
Ze kwamen bij het huis van de jongste broer aan. Bij de ommuring lag een grote zwerfkei. De oudste broer gaf er een trap tegen met zijn voet en met een geweldig gedreun barstte de steen in vele stukken, die op het leger van de woudgeest neerdaalden en de helft van de krijgers tegen de grond sloegen.
(wordt vervolgd)
|
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
01/11/2007 01:51 |
|
Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Vandaag deel zeven van het verhaal van de Reus Wistsch-Otyr uit het boek met vertellingen en sprookjes uit het oude Rusland ‘De Veer van de Kraanvogel’, vertaald en bewerkt door Leni Hof Hoogland
Het verhaal van de Reus Wistsch-Otyr (7)
De woudgeesten maakten zich gereed voor de strijd en gingen op weg. Het waren er zó veel, dat de eersten al bij Wistsch-Otyrs huis aankwamen, toen de laatsten nog door de poort moesten. Vooraan de stoet liep de zes meter lange Menkw-Oika. Naast hem liep zijn broer, Pirch-Kamka-Sort-Kamka. Menkw-Oika liep naar de omheining en schreeuwde:
“Hé, Wistsch-Otyr, geef mijn gevangene terug, de kleine vrouw! Als je dat niet wilt, laat dan maar eens zien hoe sterk en hoe slim je bent. Dan zullen we wel aan de weet komen wie wie kan bedwingen!”
Wistsch-Otyr trok een pijl uit de koker. De pijl was wel 70 centimeter lang en had een ijzeren punt van 50 centimeter. Hij spande de boog zo strak, dat deze net zo breed was als de pijl met de ijzeren punt. Hij richtte en schoot.
Snorrend ging de pijl er vandoor, trof de woudgeest in zijn schouder, zodat hij op de grond viel en vloog nog verder tot hij zich in de grond boorde tot aan het einde van de ijzeren punt.
Menkw-Oika sprong overeind en rende op de ommuring af. Hij begon er op in te hakken met zijn grote mes en riep:
“Wat wil je eigenlijk met die pijlen van jou? Je kunt toch nooit van me winnen!”
Wistsch-Otyr schoot een tweede pijl af waarmee hij de woudgeest in de borst trof. Menkw-Oika werd wel zes meter weggeslingerd en de pijl suisde over de hoofden van de krijgers heen en boorde zich tot aan de veren toe in de grond.
Zo streden ze drie dagen lang, zonder te eten en drie nachten lang, zonder te slapen. Wistsch-Otyr had de huid van zijn vingers pijnlijk geschaafd aan de pees van de boog. Opeens hoorde hij Menkw-Oika roepen:
“Hé, Wistsch-Otyr, wat zou je ervan zeggen als we eens een hapje gingen eten en een beetje uitrusten?”
Ze onderbraken de strijd. Wistsch-Otyr ging naar binnen. Zijn jonge vrouw nam hem de boog uit handen en zette deze in de hoek.
Met haar mouwen veegde ze het zweet van zijn gezicht. Ze gaf hem te eten en te drinken. Wistsch-Otyr zei tot zijn zuster:
“Ga snel naar onze oudste broer en zeg hem dat mijn vingers kapot zijn door de pees van mijn boog en dat mijn krachten uitgeput raken. Vraag hem te komen om me te helpen. Ga door de ondergrondse gang, die van mijn huis naar het zijne loopt.”
(wordt vervolgd)
|
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
31/10/2007 01:06 |
|
Verhaal voor de Jeugd
(en voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag het zesde deel van Het Verhaal van de Reus Wistsch-Otyr.
Het Verhaal van de Reus Wistsch-Otyr (6)
Zijn zuster beefde van angst.
“Lieve broer, echt, ik weet niets. Meer dan ik je heb verteld, heb ik niet gezien of gehoord.”
Nu vroeg Menkw-Oika aan alle dieren die voorbijliepen en aan alle voorbijvliegende vogels en aan alle voorbij zwemmende vissen naar zijn ontvoerde bruid. Niemand had iets gezien, niemand had iets gehoord.
De zes meter lange woudgeest was erg verdrietig. Hij ging op een bank zitten en huilde bitter. Hij huilde zo, dat zijn tranen tot beekjes werden.
In deze gemoedstoestand bleef hij een jaar. Op een dag vloog de zwarte raaf Spitssnavel over de burcht. Menkw-Oika keek omhoog en vroeg hem:
“Jij vliegt boven alle streken en ziet alles. Heb jij misschien ergens mijn gevangene gezien, de kleine vrouw?”
“Ik weet waar zij is, ik heb haar gezien”, antwoordde de raaf, “maar ik ga het jou niet vertellen, hoe je mij ook smeekt. Want als je van de jacht terugkomt, verjaag je mij van de buit en gunt me nog niet het kleinste stukje vlees, nog geen druppeltje bloed.”
De raaf vloog weg en Menkw-Oika begon nog harder te huilen van ergernis en verdriet.
Daar kwam een meesje aangevlogen. Het tsjilpte:
“Ik weet iets, ik weet iets!”
“Wat weet je dan?” vroeg Menkw-Oika.
“Ik weet dat mijn kindertjes een warm nestje zullen krijgen. De kleine vrouw, de echtgenote van Wistsch-Otyr, heeft een zoontje. Zij heeft het wiegje van het kind bekleed met mos en bij het verschonen van het bedje viel er een stukje mos uit het raam. Ik heb het meegenomen en ga er mijn nestje warm mee maken. Tsjilp, tsjilp!”
De zes meter lange woudgeest hield meteen op met huilen. Hij sprong overeind en schreeuwde:
“Kom allemaal hierheen, woudgeesten! We trekken ten strijde tegen de reus Wistsch-Otyr, die mijn kleine vrouw heeft ontvoerd!”
(wordt vervolgd)
|
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
30/10/2007 03:03 |
|
Verhaal voor de Jeugd
(en voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag deel 5 van de geschiedenis van De Reus Wistsch-Otyr.
Het Verhaal van de Reus Wistsch-Otyr (5)
Wistsch-Otyr en zijn jonge vrouw waren erg gelukkig. Binnen een jaar werd er een zoon geboren, een knap klein reusje. Wistsch-Otyr maakte een wieg voor hem van berkenbast en zijn vrouw hing dat op voor het raam. Elke dag wiegde ze het zoontje en zong daarbij een wiegeliedje:
“Ik wieg mijn kindje
In de wieg van berkenbast.
Ik wieg mijn kindje
In de wieg met strikken er omheen,
Ik wieg mijn aardig kindje
Met mijn handen.
Hij met zijn armpjes als jonge bomen,
Hij met zijn beentjes als jonge bomen”…
Het kind begon te huilen en de moeder nam het uit de wieg en zong het volgende liedje:
“Ik neem je uit je berkenwiegje
Met de strikken er omheen,
Ik til je hoog op
Met mijn handen
En loop heen en weer
Op de houten plankenvloer …”
Terwijl de moeder warm, droog mos in het wiegje legde, viel er een klein takje mos uit het raam. Een meesje vloog langs, ving het takje op en vloog er mee weg.
Inmiddels was Menkw-Oika aan een hevige onrust ten prooi. Hij verlangde smartelijk naar de mooie vrouw, zijn gestolen bruid. Hij vroeg iedereen naar haar, of men haar had gezien en waar ze was gebleven. Ook zijn zuster vroeg hij: “Op de dag dat zij verdween, was je toch bij haar met het baden? Vertel me nu eens precies wat je weet.”
Zijn zuster antwoordde: “Toen we op die bewuste dag bij de poort aankwamen, stond er zo ineens een beer tussen ons. Waar hij vandaan is gekomen, zullen we nooit weten. De beer greep de kleine vrouw en sleepte haar mee. Meer weet ik niet.”
Brullend van narigheid holde Menkw-Oika het bos in. Drie dagen lang ging hij tekeer in het woud, trok bomen met wortels en al uit de grond en richtte grote vernielingen aan.
Op de avond van de derde dag regende het brokstukken berenvel, berenpoten en berentanden op de burcht.
Woester dan de hevigste storm en zwarter dan een onweerswolk keerde Menkw-Oika terug. Hij zei tegen zijn zuster:
“Ik heb gevochten met beren, ik heb ze geslagen en uit elkaar gescheurd. Maar mijn gevangene, de kleine mooie vrouw, was niet bij hen. Zeg me dus wat je weet.”
|
|
| Verhalen - Even een verhaaltje |
29/10/2007 01:50 |
|
Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Vandaag deel vier van het verhaal van de reus Wistsch-Otyr uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met vertelsels en sprookjes uit het oude Rusland.
Het Verhaal van de Reus Wistsch-Otyr (4)
Op de derde dag kwamen tien vrouwen de burcht uit en liepen naar de rivier. Negen van hen waren woudgeestvrouwen; één van hen, een oudere vrouw, was de zuster van Menkw-Oika. Zij was lang en mager en had ook een zeer lange naam: De vrouw-die-zo-droog-is-als-een-grashalm-in-de-wind. De tiende vrouw was geen woudgeestwezen. Zij was van een bijzondere schoonheid.
Zij had glanzende ogen en rode wangen en haar prachtige vlechten kwamen tot aan haar knieën.Tsjilpende vogeltjes sierden de uiteinden van haar vlechten. Zij moest wel het mooie meisje zijn, over wie de zwarte raaf Spitssnavel had verteld.
De vrouwen gingen baden. Nadat ze naar hartelust in het water hadden gestoeid, kwamen ze weer naar de oever en kleedden zich aan. Opeens schreeuwde het mooie meisje verschrikt:
“Help! Er is een beest in mijn hemd gekropen!”
Het was Wistsch-Otyr, nog steeds als hagedis.
De vrouw met de lange naam greep het hemd van het meisje en schudde het heen en weer. Maar Wistsch-Otyr had zich allang in een naald veranderd en zich in de mouw vast gestoken.
Nadat de vrouwen zich hadden aangekleed, gingen ze terug naar de burcht. Ze waren al dicht bij de poort en Wistsch-Otyr dacht:
“Waarom nog langer gewacht? Ik zal doen wat ik van plan was te doen!”
Hij liet zich uit de mouw glijden en viel op de grond. Daarna nam hij de gestalte aan van een beer. Met enige dwaze sprongen was hij bij het meisje, hij tilde haar op en rende weg.
Hij holde zo hard hij maar kon naar zijn boot. Daar aangekomen veranderde hij zich weer in de reus Wistsch-Otyr. Het mooie meisje was blij hem te zien en glimlachte.
Wistsch-Otyr vroeg haar:
“Welke kant zal ik de boot opsturen? Wil je naar je broers terug of wil je met mij meegaan en mijn vrouw worden?”
“Waar jij gaat, zal ik ook gaan”, antwoordde het meisje. “Je hebt me uit de handen van de boze Menkw-Oika gered en ik zal een goede echtgenote voor je zijn.”
De boot bracht de jonge mensen naar de woonplaats van Wistsch-Otyr.
De reus begon de volgende dag direct met het bouwen van een stevige afrastering. Zeven rijen pallisades zette hij om zijn huis. Aan de binnenkant van de ommuring wierp hij een wal op van aarde om achter te schuilen en om pijlen te schieten tussen de palissades door. Want hij verwachtte niet dat Menkw-Oika de roof van zijn bruid ongewroken zou laten.
|
|
|
|