Ons verhaal voor de jeugd
Ter gelegenheid van de kerst even een onderbreking van het lopende verhaal voor de jeugd: nu het derde deel van het kerstverhaal ’De wonderlijke kerst van vadertje Panov’, van de Russische schrijver Ljev Nikolajevitsj Tolstoj, vertaald en bewerkt door Leni Hof-Hoogland.
‘De wonderlijke kerst van Vadertje Panov’ (3)
Buiten werd de mist steeds dikker. Vage figuren gleden voorbij het raam. Maar de oude schoenmaker dommelde en snurkte zachtjes.
Plotseling klonk een stemmetje door de kamer: “Vadertje Panov! Vadertje Panov!”
De oude man schrok wakker. Zijn grijze snor sidderde.
“Wie is daar?” riep hij en keek verward om zich heen.
Hij kon maar weinig zien zonder bril, maar er scheen werkelijk niemand te zijn.
“Vadertje Panov”, zei de stem weer. “Je wenste dat je me had kunnen zien, dat ik bij je was gekomen in je winkeltje en dat je me een geschenk had kunnen geven. Nou, kijk morgen maar naar me uit van de vroege ochtend tot de late avond, want ik kom. Pas goed op, dat je me herkent, want ik zal mijn naam niet noemen.”
Toen was alles stil. Vadertje Panov wreef in zijn ogen en ging met een schok rechtop zitten. De kachel was bijna uit en de lamp helemaal, maar buiten beierden de klokken alom. Het was Kerstmis.
“Hij was het”, zei de oude man tegen zichzelf. “Dat was Jezus.”
Nadenkend trok hij aan de punten van zijn snor. “Misschien was het alleen maar een droom – hoe dan ook, ik zal opletten en ik hoop, dat hij morgen bij me komt. Maar hoe zal ik weten wie hij is? Hij is niet altijd een klein jongetje gebleven; hij is opgegroeid tot een man, een koning; ze zeiden dat hij God zelf was.”
Peinzend schudde de oude man zijn hoofd. “Och, och”, zei hij langzaam. “Ik zal erg goed op moeten letten.”
Hij ging die nacht niet naar bed. Hij zat in zijn rieten stoel met zijn gezicht naar het raam en keek naar buiten, om vooral maar geen enkele voorbijganger te missen. Beetje bij beetje kropen de zonnestralen over de heuvel en verlichtten de keien van de dorpsstraat.
Er was nog steeds niemand verschenen.
“Ik zal een lekkere pot koffie maken voor mijn kerstontbijt”, zei vadertje Panov opgewekt. Dus hij stookte de houtskool in de kachel op en maakte een grote kroes dampend hete koffie. Maar inmiddels hield hij geen oog van het raam af.
Eindelijk, eindelijk kwam er iemand aan: een gestalte verscheen ver op de bochtige straat. Vadertje Panov drukte zijn gezicht tegen het bevroren vensterglas. Hij was erg opgewonden – misschien was dat Jezus, die hem kwam bezoeken.
Toen deed hij teleurgesteld een stapje terug. De gestalte kwam naderbij, hij sjokte langzaam over de weg. Nu en dan stond hij even stil en sjokte dan weer verder. Vadertje Panov kende hem wel – het was de oude straatveger, die iedere week langs kwam met zijn bezem en kruiwagen.
(wordt vervolgd)