Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Vandaag deel vijf van het Verhaal van Imi-Chity uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met vertellingen en sprookjes uit het oude Rusland.
Het Verhaal van Imi-Chity
(5)
Nu moest Mengk-Poschich nog harder lachen.
“Je bijl is stomp. Je moet hem slijpen”, zei hij.
“Waarmee moet ik dat doen?” vroeg Imi-Chity. “Ik heb geen wetsteen meegenomen.”
“Gebruik mijn tong maar”,zei Mengk-Poschich en hij stak zijn tong uit. Hij had een lange tong en zeker zo ruw als de beste wetsteen.
Imy-Chity haalde de bijl over de tong heen en weer. Dat kietelde en de woudreus moest erom lachen.
De bijl in Imi-Chity’s handen begon te bibberen, gleed weg, kwam met de snijkant op de tong terecht en sneed er een puntje van af.
Machteloos zwaaide Mengk-Poschich met de armen en stampte met de voeten. Hij kon niet meer schreeuwen en ook niet meer lachen. Hij liet zijn slee staan en rende weg.
“Het is zijn eigen schuld”, dacht Imi-Chity. “Maar ik vind het wel zielig voor hem.”
Hij pakte de punt van de tong op, deed die in zijn mand en volgde het spoor van de woudreus. Na een lange tocht kwam hij bij een flink gehucht. De huizen waren gemaakt van dikke boomstammen. Op de plaatsen waar lariksen niet lang genoeg waren, had men de stammen van sparren gebruikt.
Het spoor van Mengk-Poschich eindigde voor een deur, die niet mooier of lelijker was dan de andere deuren. Het was duidelijk dat de gewonde hier naar binnen was gegaan. Imi-Chity klom vlug op het dak en luisterde aan de schoorsteen. Ja, Mengk-Poschich was binnen. Hij kreunde en huilde aan een stuk door. Zijn familieleden vroegen hem wat er met hem aan de hand was, maar een behoorlijk antwoord kregen zij niet. Toen zei iemand, misschien zijn moeder of zijn grootmoeder:
“Er is die jongen wat overkomen. Ga snel naar grootvader en vraag hem wat voor ongeluk dat is en wat we eraan kunnen doen. Grootvader ziet en weet alles en als hij niet kan helpen, kan niemand het.”
Een kleine woudjongen kwam uit het huis. Hij huppelde op één been, zwaaide met de armen, zong en lachte.
Niet zo hard als Mengk-Poschich, maar veel harder dan Imi-Chity als grootmoeder hem een grappig verhaal vertelde.
Dansend en huppelend ging hij het naastgelegen huis binnen.
Imi-Chity sprong als een eekhoorntje van het dak en klom op het dak van het huis, waar de kleine jongen naar binnen was gegaan. Hij luisterde aan de schoorsteen.