Ons verhaal voor de Jeugd
Vandaag het begin van een verhaal van Herbert Reinecker, getiteld ‘Ongelijke tegenstanders’, uit het Duits vertaald door Leni Hof-Hoogland (1)
Onbekende Tegenstanders
Hoofdstuk 1.
De Ontdekking bij de rivier.
Het was een mooie herstige dag. De hemel was bleekblauw en wolkeloos. Je kon over het hele dal van de Isar heen kijken, de bomen tekenden zich scherp af tegen de heldere lucht. De wind kwam koel uit het zuiden aanwaaien en maakte kleine golfjes in het helderblauwe water van de Isar.
Paul, Alexa en Koert waren aan de oever van de Isar in de buurt van de dierentuin.
De vijftienjarige Paul, die vanwege zijn speurderstalenten de bijnaam ‘Derrick junior’ had verworven, en zijn veertienjarige vriendin Alexa waren op de fiets en Koert rende naast hen in trainingspak. Hij kon zijn fietsende vrienden gemakkelijk bijhouden. Het was goed te merken dat hij regelmatig trainde, want hoewel hij al drie kilometer had hardgelopen, ademende hij nog steeds rustig en gelijkmatig.
“Het is fantastisch”, merkte Paul vol bewondering op. “Je bent nog een stuk sneller dan gisteren!” Hij keek op zijn horloge en berekende de tijd.
“Dat hij dat vol kan houden”, lachte Alexa. Haar prachtige zwarte haar fladderde in de wind.
“Ik ga nog even door”, zei Koert. Zelfs zijn stem klonk nog helemaal normaal. “Ik ben vandaag goed in vorm.”
Maar Paul was afgestapt. “Wacht even!” zei hij.
Op de oever, vlak bij het water van de Isar, lag een jongen. Hij lag op zijn rug met wijd uitgespreide armen.
”Hij slaapt”, fluisterde Alexa.
“Hij ligt erbij alsof hij is gekruisigd”, merkte Paul ernstig op.
De jongen droeg een spijkerbroek, een geruit overhemd en een verschoten jack met elleboogstukken. Hij had tamelijk lang, rossig blond haar, dat zacht bewoog in de wind. Zijn mond stond wijdopen. Naast hem stond een transistorradio, die niet goed was afgesteld. Er kwam wat muziek uit met veel gekraak erbij.
Paul liep naar de jongen toe. “Hé,” zei hij, “je ligt bijna in het water!”
En inderdaad, dat scheelde niet veel.
De jongen bewoog zich niet.
“Is hij dood?” vroeg Alexa geschrokken.
“Nee hoor”, stelde Paul haar gerust. “Hij is alleen dronken. Er ligt een lege fles naast hem. Het is trouwens goed te ruiken ook!”
(wordt vervolgd)