
door Leni Hof Hoogland * lllustraties Judith ten Bosch
******************************************************************
HOOFDSTUK 5
Oela trok Frederika uit de struiken en plukte de takjes uit haar haar.
“Heb je je bezeerd?” vroeg ze bezorgd.
“Ik leef tenminste nog”, zei Frederika. Ze plantte haar hoedje weer op haar hoofd en aaide de poes. “Mijn poes is gelukkig ook nog helemaal heel!” z
ei ze opgelucht.
Oela keek het vogelbekdier streng aan en zei: “Hoe kon je nu zo dom zijn? Je hebt onze hele vliegreis bedorven. En nu heb ik ook geen ballon meer om mijn winterslaap in te doen.”
“Het spijt me vreselijk”, zei de vogel verlegen. “Ik dacht dat die kers toch echt voor mij was bedoeld. Maar over je winterslaap hoef je nu nog niet in te zitten. Het is nu voorjaar en dan komt de lange zomer nog, daarna de herfs
t en dan is het pas winter. Trouwens, waar is een winterslaap goed voor? Zonde van de tijd. Je bent toch geen ijsbeer?”
“Jij bent een brutale vogel”, vond Oela. “Maar een beetje gelijk heb je wel. Het duurt nog lang voor het winter is en misschien kom ik mijn vader, de tove-naar, nog wel eens tegen. Dan vraag ik hem om een nieuwe ballon.
Laten we nu eerst maar eens wat eten zoeken, want ik heb honger gekregen.”
Daar had Frederika ook wel zin in en zij zetten meteen de pas er in. Het vogelbekdier vroeg of hij ook mee mocht en zo met de poes erbij en de kleine vogel die ook de ballontocht had meegemaakt, leek het wel een optocht.
(wordt vervolgd)