Ons verhaal voor de Jeugd
Vandaag beginnen we met een aflevering van het derde verhaal uit de bundel ‘Lichter dan Lucht’ van de Russische schrijver Aleksander Koeprin, getiteld: ‘In de menagerie’,
vertaald en bewerkt door Leni Hof-Hoogland
‘In de Menagerie’, (1)
In de ruimten van de menagerie heeft Johan Miller de lampen nog niet aangedaan voor de avondvoorstelling. Er hangt alom een soort schemering. IJzeren tralies, kooien, hekken, pilaren die het dak ondersteunen, tobbes met water en kisten met zand staan overal. De lucht ruikt sterk naar roofdieren, vossen, marters en lynxen – vermengd met de geur van bedorven vlees en vogelmest.
Rillend van de kou en dicht tegen elkaar aangedrukt, dromen de opgesloten dieren in hun kooien. Op dit uur van de dag rusten zij uit na de attentie van het opdringerige publiek.
Gele en grijze papagaaien met rode staarten zitten op hun stokken, met een kettinkje aan hun poten.
De grote oude olifant, die in het duister uit de verte enorm lijkt, sluimert, van de ene poot op de andere stappend en strekt dan eens zijn slurf uit om hem dan weer in te trekken. De apen staan in een dichte groep bij elkaar. Sommige dieren omhelzen elkaar; andere leggen hun kop op de knieën van hun buur. Hun gezichten staan bedroefd en onderdanig, en nu lijken zij nog meer dan anders op mensen. Aan het eind van de menagerie, zit een uil op een stok, wat kaal geworden en in gekromde houding. Hij slaapt niet. Zijn onbeweeglijke ogen staren in de duisternis met een eeuwige, onverzoenlijke en trotse blik.
De diepe, drukkende stilte wordt soms onderbroken door vreemde geluiden: de als langdurige zuchten klinkende ademhaling uit de enorme boezem van een of ander dier, dan weer een soort gesteun, of het schaterend gelach van een hyena, die kortgeleden ziek werd en nu hele nachten tekeergaat, totdat hij eindelijk de moed opgeeft.
Cesario slaapt en huilt af en toe als een hond die droomt. Een van zijn machtige gele poten hangt buiten de kooi. Zijn kop verbergt hij onder zijn andere poot, waardoor alleen zijn donkerkleurige manen zichtbaar zijn. Naast hem ligt, opgerold als een poesje, zijn leeuwin. Cesario slaapt onrustig en beeft af en toe. Zijn adem ontsnapt in hete wolken uit zijn neusgaten.
(wordt vervolgd)