Ons verhaal voor de jeugd
Vandaag de negende aflevering van het tweede verhaal uit de bundel ‘Lichter dan Lucht’ van de Russische schrijver Aleksander Koeprin, met als titel ‘De Olifant’. Het werd uit het Russisch vertaald en bewerkt door Leni Hof-Hoogland
‘De Olifant’, (9)
Dat wil Tommie wel. Hij grijnst, pakt popje Matresjka bij haar nek en brengt haar naar zijn mond. Maar dat was alleen maar een grapje. Nadat hij de pop even in zijn mond heeft gehad, zet hij haar op de knietjes van het meisje, ongedeerd, maar wel een beetje nat.
Daarna laat Nadia hem een dik boek met plaatjes zien en legt uit:
“Dit hier is een paard, dit een kanarie, en dit een geweer … Hier zie je een vogelkooitje, dit is een emmer, dat is een spiegel, en dit een kachel, en hier zie je schop, en dit is een kraai … En kijk hier eens, dit is een olifant! Die lijkt helemaal niet op jou, vind je niet, Tommie? Olifanten zijn toch nooit zo klein!”
Tommie vindt dat zulke kleine olifanten op de hele wereld niet te vinden zijn. Al met al staat de tekening hem helemaal niet aan. Hij grijpt de bladzijde beet en draait hem om.
Het etensuur breekt aan, maar het meisje wil bij de olifant blijven. De Duitser schiet te hulp:
“Sta me toe, dat ik alles regel. Zij kunnen samen eten.”
Hij beveelt de olifant te gaan zitten. De olifant gehoorzaamt en de hele flat trilt. Dan wordt het serviesgoed en de etenswaar binnengebracht. Het meisje gaat tegenover de olifant zitten. Tussen hen wordt een tafel neergezet. De olifant krijgt een servet om zijn nek en dan beginnen de nieuwe vrienden aan de maaltijd. Het meisje eet wat kippensoep en een carbonade en de olifant diverse groentes en salade.
Het meisje drinkt er een glas limonade bij en de olifant slurpt met zijn slurf wat heerlijk koel water op. Dan krijgen ze wat zoetigheid en drinkt het meisje chocolademelk en eet de olifant een halve taart.
De Duitser zit inmiddels met Nadia’s vader in de eetkamer en eet net zo graag als de olifant, maar drinkt heel wat meer bier.
Na het eten komen er bekenden van Nadia’s vader, en hen wordt al in de hal verteld dat zij niet moet schrikken van de olifant. In het begin geloven zij hun oren niet, maar bij de deur staan zij, verstijfd van angst, stil.
“Wees maar niet bang”, roept het meisje.“Hij doet niks!”
Maar de kennissen gaan er al in grote haast vandoor.
(wordt vervolgd)