Verhaal voor de Jeugd
(en voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’ met sprookjes en vertellingen uit het oude Rusland, vandaag het tweede deel van het verhaal ‘De Grootmoeder van Chassynget’.
De Grootmoeder van Chassynget (slot)
“Wat was dat nou?” vroeg de duivel.
“Gewoon een sparappeltje dat te water is gevallen”, zei Chassynget.
Maar hij dacht bij zichzelf “Ik moet grootmoeder eigenlijk uit de rivier trekken, maar dan merkt de duivel dat ik hem voor de gek heb gehouden. Nou ja, eerst moet ik het ene zaakje opknappen, dan begin ik aan het volgende.”
“Het schijnt dat de Auerhaanberg inderdaad van jou is”, zei de duivel.
“Dan heb ik hier niks meer te zoeken en verhuis ik maar naar een andere omgeving. Jij mag mijn strikken wel houden.”
De duivel vertrok. Chassynget was zo blij, dat hij zijn grootmoeder helemaal vergat. Hij begon meteen strikken te zetten.
De mand, met grootmoeder erin, werd echter door de rivier meegenomen. Schommelend op de golven ging het stroomafwaarts, één bocht voorbij en nog één …
Een school visjes kwam langs zwemmen om te zien wat daar toch op het water schommelde. De vissen zagen grootmoeder en zeiden:
“Grootmoeder, grootmoeder, we zijn met velen. We trekken de mand wel naar de oever.”
“Nee, beste visjes, laat mij maar”, zei de grootmoeder. “Als mijn kleinzoon mij niet langs de oever achterna komt, dan heeft hij mij niet nodig. Laat de rivier mij maar brengen, waar hij wil.”
De vissen zwommen verder en de mand dreef weer met de stroom mee. De rivier was hier breed, daar smal, soms waren er rechte stukken, soms scherpe bochten. Op zeker moment bleef de mand aan een gezonken boom hangen. Er was geen beweging meer in te krijgen.
Er kwamen wat grote steuren op de mand af. Zij vroegen: “Grootmoeder, grootmoeder, hoe krijg je het in je hoofd midden op de rivier te gaan schommelen. We zullen de mand naar de kant duwen.”
“Mij best”, zei grootmoeder. “Het water wil me toch niet verder dragen.”
Met hun staarten stootten de steuren de mand los en met hun neuzen duwden ze grootmoeder naar de kant. Nog voor ze eenmaal adem had kunnen halen, zat ze vast op een zandbank. De steuren zwaaiden met hun staarten en zwommen weg.
Grootmoeder kwam uit de mand en keek eens om zich heen. De omgeving zag er aantrekkelijk uit. De rivier en het woud waren dichtbij. Hier zou ze best kunnen wonen.
Grootmoeder maakte een hut van berkenbast, zocht bessen en paddestoelen en ving vissen. Alles zou goed zijn geweest als zij zich maar niet zo verveelde zonder haar kleinzoon.
“Waar blijft Chassynget toch?” dacht ze. “Hoe heeft hij het daar zonder mij? Beter, of slechter?”
Op een dag zag ze iemand langs de oever lopen. Het was Chassynget. Hij kwam naar haar toe en ging bij het vuur zitten.
“Wat is er kleinzoon?” vroeg grootmoeder. “Waarom blijf je niet alleen wonen en waarom vang je geen auerhanen op de Auerhaanberg?”
“Ik heb de duivel bedrogen”, zei Chassynget, “maar hij heeft mij nog erger te pakken gehad. De Auerhaanberg mocht ik van hem houden, maar de auerhanen heeft hij meegenomen. Het gaat niet goed met me, grootmoeder. Ik heb erge honger.”
“Ach, kleinzoon, je bent een bedrogen bedrieger. Je hebt je met de duivel ingelaten en je eigen grootmoeder door de rivier mee laten nemen. Wat moet ik nou met jou nu je zo’n honger hebt?”
Grootmoeder kreeg medelijden en gaf hem wat te eten. Nadat hij enige happen had gegeten, zei Chassynget: “Vergeef mij, grootmoeder. Ik ben een slechte kleinzoon geweest. Het zal wel door de invloed van de duivel zijn gekomen.”
En toen leefden ze weer samen. Chassynget ging op jacht en uit vissen. Grootmoeder kookte het eten en naaide zijn kleren.
(Einde)