PERSOONLIJKE NOTENlll
Affaire Frenk van der Linden en de BVD
Niets nieuws onder de zon
Ik had 57 jaar geleden al BVD informant kunnen zijn
door Jan Hof
ASSEN - Frenk van der Linden moest nog zeven jaar op zijn geboorte wachten toen ik al geconfronteerd was geweest met de activiteiten van wat toen nog de BVD was, gretig op zoek naar politiek gevoelige informatie.
Dat was in de tijd van de echte koude oorlog, met net de Sovjetcoupe in Tsjecho-Slowakije achter de rug en de angst voor het oprukkende communisme tot grote hoogten was gestegen.
Ik werkte in die tijd voor Het Vrije Volk in de Zaanstreek en trok al jaren op met een vriend uit de middelbare schooltijd, die ook in het vak zat, werkend voor De Waarheid.
Bijzonderheid: bijna vier jaar eerder, eind 1946, had ik die krant na er acht maanden in vaste dienst te zijn geweest, verlaten omdat ik politiek gezien niet bleek te passen in de ideologie van de krant. Dat klopte. Ik was geen lid van de CPN noch van de jongerenorganisatie de ANJV en bezocht in al die maanden geen enkele aanpalende bijeenkomst. Ik zat er alleen voor het toen ook al interessante journalistieke werk een jongensideaal in vervulling.
Met mijn vriend Wim Swart was dat anders. Die kwam uit een echt heel rood nest en een dik half jaar nadat ik de krant had verlaten nam hij de door mij achter gelaten plaats in. Enige tijd hadden we samen de redactie van de schoolkrant gevormd, maar door ziekte verloor hij een jaar.
Direct na het eindexamen kon hij zijn journalistieke aspiraties in vervulling laten gaan. En zo trokken we vaak samen op. Dat was, merkten we later, niet tot ieders genoegen. In zijn kringen was de haat tegen alles wat PvdA groot en ook in de kringen waar ik vertoefde was men sceptisch. Ik was namelijk ook nog bestuurslid van de plaatselijke afdeling vn de Nieuwe Koers, een sociaal-democratische jongerenorganisatie.
De verschillende geloven verhinderden niet dat we als goede vrienden optrokken en heel vaak op dezelfde plaatsen ons werk deden.
Het moet in de loop van 1950 zijn geweest toen ik na de gebruikelijke persconferentie bij het weggaan door de hoofdinspecteur, een bijzonder aardige man, werd gevraagd even te willen wachten.
Toen de collega’s vertrokken waren nodigde hij mij uit weer te gaan zitten, stak een sigaret op en zei toen mij iets belangrijks te willen vragen. Of ik bereid was iets voor hem te doen. Ik was goed bevriend met de collega van De Waarheid en zou misschien wel eens iets over zaken die daar en in de CPN passeerden horen die voor hem, de hoofdinspecteur, van belang zouden kunnen zijn.
Ik stond direct op, keek hem aan en zei emotioneel: “Maar meneer Coelingh, weet u wel wat u vraagt? U vraagt mij een vriendschap te misbruiken. Ik bijt nog liever mijn tong af!”
Hij keek, zo leek het mij, geschrokken op, kwam direct achter zijn bureau vandaan, tikte mij op een schouder en zei: “Neem me niet kwalijk, neem me niet kwalijk, laten we dit gesprek meteen vergeten!”
Even later verliet ik het bureau. Aangedaan. Hoe had zo’n aardige kerel dit kunnen vragen.
Ik heb hem nooit meer aardig gevonden.
Nooit heb ik hier met iemand over gesproken.
Na 1958 zijn onze wegen gescheiden en was er heel lange tijd geen contact meer tussen de vrienden. Tot begin 1990 toen ik eens de redactie van het Dagblad voor de Zaanstreek, waar hij werkte, opzocht en hem daar ontmoette. We wisselden wat ervaringen uit en toen bleek dat hij er fysiek slecht voor stond, levend tussen vrees en hoop.Hij had een jaar eerder, vertelde hij, zijn ervaringen in veertig jaar journalistiek in een aflevering in zijn krant gepubliceerd. Hij zou mij het artikel opsturen.
Een paar weken later ontving ik een pak kopieën en daarin beschreef hij wat hem overkwam nadat hij eind 1952 na voortschrijdend politiek inzicht en na een conflict met topmensen van krant en partij op straat kwam te staan.
Bijna een jaar lang is hij zoekende geweest naar een baan. Overal ving hij bot, totdat hij als kantoorbediende een stek vond op het kantoor van het GAK in Alkmaar.
Hij had een aantal referenties mogen opgeven, een van de inspecteur van het onderwijs in Zaandam en die van… hoofdinspecteur van politie H. Coelingh.
Het deed mij veertig jaar na het BVD gesprek op het politiebureau goed dat te lezen. Een handreiking…
Over die sollicitatie schrijft hij verder:
‘Toen ik was aangenomen, was het een feestdag. Eindelijk weer aan het werk als kantoorbediende.
Maar iemand die bij De Waarheid had gewerkt was blijkbaar een interessante persoon voor de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Herhaaldelijk werd ik benaderd door iemand die zei Berger te heten en die steeds maar wilde dt ik alles zou vertellen of op schrift zou zetten wat ik van De Waarheid wist.
Soms was hij samen met de Zaandamse politieman T. de Jong. Ik was niet toeschietelijk, voelde niets voor die judasrol. Soms beloofde die Berger geld, soms uitte hij bedreigingen. Ik zou m’n werk kunnen verliezen. Tenslotte heb ik hem gezegd dat ik niet beschikbaar was, wat de gevolgen ook zouden zijn.
Daarna heb ik nooit meer iets van hem gehoord…”
Toen ik zijn herinnering aan de bijdrage van de hoofdinspecteur las, was het eerste wat in mij opkwam, na veertig jaar eindelijk eens te onthullen dat die politieman mij had gevraagd als informant op te treden.
Ik vond het een vergoeielijkende de daad dat hij die steun bij de sollicitatie bij het GAK had verleend.
Ik wilde hem dit niet per telefoon maar tijdens een volgend bezoek aan Zaandam in persoon vertellen.
Deze geschiedenis heeft Wim Swart niet meer bereikt. Zij agressieve ziekte sloeg nog sneller toe dan was gedacht.
Veertien dagen later ontving ik zijn overlijdensbericht.
***
Ik had het plan deze herinnering te verwerken in de memoires die ik ooit hoop te voltooien. Maar ingehaald door de actualiteit heb ik dat nu in verkorte vorm gedaan.
Zeventien jaar na kennismaking met de ervaringen die mijn vriend over de GAK affaire openbaarde en tijdens het schrijven van deze Persoonlijke Noten beving mij plotseling een gevoel van grote argwaan jegens de houding van de genoemde (BVD) hoofdinspecteur. Die was toch zo aardig een werkzoekende bekende een handje te helpen door een goed woordje voor hem te doen.
Het was opzet. Drie jaar nadat geprobeerd was mij als informant te werven werd geprobeerd een nog veel betere bron aan te boren: een Waarheid journalist die na een conflict wegens afvalligheid wel eens wat loslippig zou kunnen worden.
Dat politieman De Jong als onderdaan van de hoofdinspecteur daarin een rol speelde, spreekt boekdelen.
Ze hebben buiten de waard gerekend. Voor Wim Swart geen judasrol. Ook hij had liever zijn tong afgebeten.
Jan Hof