Ons verhaal voor de Jeugd (en voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag het tiende en laatste deel van de geschiedenis
Hoe het Wylka op de
Zee verging (10 en slot)
“Was ik nu maar niet afgeslagen naar de vreemde mensen, dan had ik mij niet in het ongeluk gestort. Maar nu ik er zo voorsta, moet ik iets doen om het te overleven!”
Dat dacht Wylka, maar hardop zei hij: “Ik heb het aangeboden voedsel versmaad, omdat ik nu eenmaal geen rendier ben. Maar jullie zijn ook geen rendieren en jullie hebben ook geen mos gegeten.
Ik geloof niet dat er mensen bestaan die mos eten. Eet nu alles op wat je voor mij hebt klaargemaakt en laat mij de lege schalen zien. Daarna mogen jullie mij doden.”
De bewoners van het gehucht gingen de hut binnen om het mos op te eten. Daar had Wylka op gewacht. Hij bewoog zich rollend door de sneeuw en probeerde de riemen, waarmee zijn handen en voeten gebonden waren, door te bijten. Hij had sterke tanden, maar de riemen waren te dik.
Plotseling kwam er een meisje achter de hut vandaan. Het was hetzelfde meisje dat hem de schalen mos had aangeboden. In haar hand had zij een groot mes.
“Mijn einde is gekomen”, dacht Wylka.
Maar het meisje had geen kwade bedoelingen. Ze sneed de riemen aan zijn handen en voeten door. Wylke sprong overeind en keek het meisje aan. Zij was mooi en had prachtig lang haar.
“Loop nu vlug weg”, zei ze. “Anders brengen onze mensen je om.”
“Hoe zou ik weg kunnen lopen bij zo’n mooi en goedhartig meisje?” zei Wylka.
“Goed, als je niet alleen wilt vluchten, laten we dan samen gaan. Ik kan hier ook niet blijven, want ik zal zwaar gestraft worden omdat ik je heb losgemaakt.”
Wylka nam haar bij de hand en ze renden weg. Daar kwamen de moseters met de lege schalen uit de hut naar buiten. Schreeuwend liepen ze achter de vluchtelingen aan. Wylka en het meisje konden nog net in de slee springen.
Nog dagen lang gleden ze door de toendra. Wylka keek niet meer naar links en naar rechts, maar had alleen nog oog voor het mooie meisje met de lange haren. In de verte was de bergketen van de Oeral al te zien. Nu liepen de rendieren nog sneller en al spoedig was de hut van Wylka bereikt. Wylka was nog maar net uit de slee gestapt, of daar kwam een oud, wit rendier naar hem toe en likte hem in zijn gezicht. Ook Wylka’s zuster kwam naar buiten.
“Wie heb je daar bij je?” vroeg ze.
“Ik heb een bruid meegebracht”, antwoordde hij. “Van nu af zullen we met zijn drieën leven.”
“Dat is heel goed, dat had je al veel eerder moeten doen”, zei de zuster.
Daarna lachte ze en vroeg: “Heb je ook een tuig van walrusleer van zee meegenomen? Het oude tuig is nu werkelijk helemaal versleten.”
“Nee, dat heb ik niet meegebracht”, antwoordde Wylka. “Maar we zullen wat rendiervellen driedubbel naaien, dan zal het tuig sterker zijn dan van walrusleer.”
Einde