Verhaal voor de Jeugd
( en voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’ vandaag het vierde en laatste deel van het verhaal ‘Het Geschenk van de Gouden Slang’.
Het Geschenk van de
Gouden Slang (4 en slot)
Het werd steeds donkerder. De zwarte draak was sterker, de gouden slang geraakte aan het einde van zijn krachten.
“Waarom blijf ik hier zo zitten, zonder iets te doen?” vroeg Barkoul zich af. “Ik moet mijn slang helpen!”
Waar was zijn angst gebleven? Hij sprong uit de boom, trok zijn mes en stootte het tot aan het heft in de zwarte draak. De draak sprong hoger dan de hoogste boom, siste nog voor de laatste keer en kwam aan zijn einde.
En nu werd het weer dag, helder en klaar. Het dode woud scheen weer op te leven. De gouden slang richtte vermoeid zijn kop op en knikte Barkoul toe, alsof hij wilde zeggen: “Goed gedaan! Fijn dat je me hebt geholpen!”
Barkoul was zelf ook erg blij. Hij begreep nu dat de gouden slang niets slechts in de zin had, maar hem alleen goed wilde doen. Van zijn kant wenste hij hem ook alleen maar goeds toe en zonder angst naderde hij het dier. De slang liet hem weer op zijn rug zitten. Weer suisden bomen, struiken en rotsblokken voorbij. De slang bracht Barkoul naar een voor hem bekende plek – bij het gehucht, waar het meisje met de rode wangen en de lange vlechten woonde. Daar liet de slang hem afstappen en na ten afscheid nog met de staart op de grond te hebben geklopt, kroop hij weg. Drie gouden schubben bleven liggen.
Ze lagen in het gras en glansden en gloeiden als kolen in de haard. Barkoel tilde een schub op en die vatte vlam en verbrandde. Opeens had Barkoul niet meer zijn versleten bontjasje aan, maar een feestelijk kostuum, versierd met parels, en verder bontlaarzen, gegarneerd met rode en blauwe banden en warme handschoenen.
Verheugd nam Barkoul de tweede schub in zijn hand. Met een felle schittering verschoot de schub als een ster aan de herfstige lucht. Voor Barkouls verbaasde ogen verrees een prachtige hut, ruim en stevig en bedekt met dikke rendiervellen.
“Nu heb ik een huis en ik heb kleren!” zei Barkoul. “Ik dank je voor die prachtige geschenken, slang. Maar hoe moet ik leven zonder rendieren?”
Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken of daar kwam de laatste schub van de grond, glanzend in de zon, en fladderde als een vlinder over het gras. Overal waar de schub de aarde raakte kwam een rendier tevoorschijn. Barkoul telde ze – het waren er driemaal tien!
In het gehucht hadden de mensen en het snuiven en trappelen van de rendieren gehoord. De mensen kwamen uit hun hutten om te kijken wie er met zijn kudde was aangekomen. Het meisje met de rode wangen en de lange vlechten liep meteen naar Barkoul toe. Barkoul en het meisje werden man en vrouw.