Verhaal voor de Jeugd
(en voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met door Leni Hof-Hoogland vertaalde en bewerkte vertelsels en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag het verhaal ''Wiens huis is beter?'
Wiens Huis is Beter?
Op een dag liep een wezel naar de beek om water te drinken. Op de andere oever, tegenover hem, stond een bruine beer die ook aan het drinken was.
“Goededag, beer”, zei de wezel. “Hoe gaat het met je?”
“Goededag, wezel”, antwoordde de beer. “Het gaat mij niet slecht, maar ook niet goed.”
“Hoe dat zo?”
“Mijn hol is te klein. Ik slaap er lekker warm in, maar als ik me omdraai, schuren de zijkanten mij.”
“Ik heb heel andere zorgen”, vertelde de wezel. “Mijn hol was heel goed, maar nu heeft het zo hard geregend en heeft de regen hier en daar aarde weggespoeld. Mijn huis is me te groot geworden. Laten we ruilen. Ik geef jou mijn grote hol en jij geeft mij jouw kleine.”
“Afgesproken”, zei de beer blij. “Waar woon je?”
“Daar op die heuvel”, antwoordde de wezel en wees naar een bergje aarde aan zijn kant van de beek. “En waar woon jij?”
“Ook op een heuvel”, zei de beer en wees naar een hoge berg aan zijn kant van de beek.
De beer waadde door de beek en de wezel sprong van de ene steen op de andere naar de andere oever. Op de oever aangekomen ging elk een kant uit, op weg naar het nieuwe onderkomen.
De wezel vond het berenhol en keek binnen rond. Hij liep van het begin naar het einde en weer terug, richtte zijn kopje op en keek naar boven. Daarna ging hij terneergeslagen op zijn achterpootjes zitten en zei huilend: “Wat moet ik in dit reusachtige hol beginnen? Als er een raaf naar binnen vliegt, neemt hij me mee! Hier kan ik mij niet verschuilen en ik heb geen enkele bescherming tegen de wind.”
Lange tijd bleef de wezel zitten huilen. Opeens hoorde hij zware voetstappen. De beer was teruggekomen.
Vlug veegde de wezel zijn tranen weg en zei: ”Waarom ben je teruggekomen?”
“Tja, dat zit zo”, antwoordde de beer, “ik kan met geen mogelijkheid in je hol komen. Ik heb alles geprobeerd – met de poten eerst, met de staart eerst, met de heupen eerst – het is onmogelijk!”
“Maar je moet met je neus vooraan naar binnen kruipen”, zei de wezel.
“Dat heb ik ook geprobeerd, maar het ging niet.”
“Maar dat is toch te gek!” riep de wezel pijnlijk getroffen. “Ik pas gemakkelijk in mijn hol en houd nog plaats over. Laat ik jou eens meten.”
De wezel ging op de kop van de beer liggen en zei:
“Maar lieve goedheid, ik ben erg klein! Daar heb ik vroeger nooit iets van gemerkt.”
De beer zei: “Lieve goedheid, wat ben ik groot! Dat heb ik vroeger nooit gemerkt. We moeten we nu doen?”
“Laat ons maar wéér ruilen”, stelde de wezel voor.
“Afgesproken!” zei de beer blij.