Vervolgverhaal voor de Jeugd (en voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag het tweede deel van de geschiedenis van ‘Het Geschenk van de Gouden Slang’
Het geschenk van
de Gouden Slang (2)
Opeens beefden de populieren zo hevig, dat het loof aan de takken begon te ritselen. Er kroop iets zwaars voorbij. Barkoul keek op, maar hij zag niets. Hij ontdekte slechts een breed, bochtig spoor naast hem. “Ik laat de kudde alleen en ga weg bij Djalixa!” zei Barkoul.
Hij had deze woorden nog maar net uitgesproken of daar kwamen de twee zoons van Djalixa aangereden. Ze stapten af en lieten hun dieren grazen. Ze gingen links en rechts van Barkoul zitten. Tot het donker werd zaten ze zwijgend bij elkaar. Toen gingen ze slapen. De zoons van Djalixa dekten zich warm toe met rendierhuiden, maar Barkoul ging in zijn versleten bontjas op de grond liggen.
Bij het ontwaken werden hun ogen getroffen door een verblindende glans. Een reusachtige slang had zich rondom hun slaapplaats gekronkeld. De kop op de staart, er was geen doorkomen aan. De gouden schubben van de slang glansden en gloeiden als kolen in de haard.
De drie mannen schrokken hevig. Hoe zouden ze ooit kunnen ontvluchten? De slang zou hen verslinden. Nu richtte de slang de kop op en deed zijn staart een beetje opzij, zodat er een opening ontstond, waar precies één mens door kon.
“Ga jij maar”, zeiden de broers en zij duwden Barkoul naar voren.
Barkoul ging naar de opening, maar de slang legde zijn kop weer op de staart en liet hem er niet door.
Weer zaten ze daar en wachtten. Nogmaals maakte de slang een opening. De oudste zoon van Djalixa ging en de slang liet hem er door.
"De slang wil alleen jou verslinden!" zei de jongste zoon van de rijke Djalixa tegen Barkoul. En hij ging ook door de opening. De slang liet hem gaan en legde daarna zijn kop weer op de staart.
“De slang wil inderdaad alleen mij verslinden”, dacht Barkoul. “Wat ben ik toch een pechvogel!”