Verhaal voor de Jeugd en ook voor Ouderen
Nu het negende deel van het titelverhaal uit ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen en sprookjes uit het oude Rusland, vertaald en bewerkt door Leni Hof-Hoogland
De Veer van de Kraanvogel (9)
“Daar heb ik geen tijd voor”, zei Judshian. “Doe maar wat je goeddunkt en kom dan naar de top van de hoogste berg. Daar wacht ik op je.”
De dochter van de maan pakte haar gewaden bij elkaar en dreef haar vee op. Judshian vervolgde zijn weg.
Terwijl hij zo door het bovenaardse rijk zwierf, ging de nacht voorbij. In de verte zag hij de lichtgevende woning van de zon. Judshian ging er heen.
Voor de stralend glanzende woning zat een meisje op een koperen stoel met acht poten. Zij had haar meer dan tien meter lange goudgele haar losgemaakt en om een zilveren staf gewikkeld en kamde haar lokken met een gouden kam. Judshian zei tegen haar:
“Dochter van de zon! Sjamanin Kjujogial-Udagan! Ik ben gekomen om je hart te veroveren. Word mijn vrouw, als je me wilt hebben!”
De dochter van de zon kon haar vader aankijken zonder met de ogen te knipperen. Zij was evenwel verblind van liefde voor degene, die voor haar stond.
“Ik wil met je trouwen”, zei ze. “Waarom zou ik niet?
“Judshian verzocht haar te gaan pakken en hem te ontmoeten op de top van de hoogste berg.
De dochter van de zon bleef achter om haar bruidsschat in te pakken en haar vee te verzamelen. Judshian snelde haar vooruit. Hij begaf zich naar de rand van het bovenaardse rijk, sprong op een wolkje en zweefde daarop naar de top van de hoogste berg.
In de witte hut wiegde de vogel het kind. Judshians vrouw lag echter dood op een stapel huiden. Judshian trok haar zijn kleren aan en verstopte haar lange haar onder de muts. Daarna droeg hij haar naar buiten en legde haar voor de deur. Hijzelf verstopte zich achter de hut.
En daar kwamen reeds van drie kanten zijn drie bruiden aangereden. Alle drie hadden ze een rijke bruidsschat bij zich. Prachtige gewaden hingen aan de zadels en kostbare huiden. Ze hadden ieder tachtig koppels paarden meegenomen en negentig koeien.
De bruiden stapten van hun paarden en keken elkaar aan.
“Lieve zusters”, zeiden ze tot elkaar. “Het ziet er naar uit dat we alle drie voor dezelfde man zijn gekomen. Maar wat zou het: zo zullen we ons op aarde tenminste niet vervelen. Maar waar is onze bruidegom? Waarom verwelkomt hij ons niet? Laat ons naar binnen gaan, misschien slaapt hij.”
Met lichte tred liepen zij naar de hut, maar plotseling bleven ze staan.
(wordt vervolgd)