Ons verhaal voor de Jeugd
Vandaag aflevering 27 van een verhaal van Herbert Reinecker, getiteld Het verraderlijke nummer, uit het Duits vertaald door Leni Hof-Hoogland.
Het verraderlijke nummer
Hoofdstuk 4
DE VERDWENEN LEERLING (27)
“Er is nog één mogelijkheid”, sprak Karel zacht, “maar jullie kunnen niet mee!”
Ze stonden voor een donker, oud huis. De muren begonnen af te brokkelen en de voorgevel was geheel verveloos.
“Zo”, zei Karel. “Hier ga ik naar binnen. Wachten jullie maar even.”
“Wat is dat dan hier?”
“Hier woont iemand, die gelijk met mijn vader in de gevangenis heeft gezeten. Hij heet Hoekman. Ik ga elke dag naar hem toe om hem te vragen of hij mijn vader heeft gezien.”
“Ik ga met je mee”, zei Paul vastbesloten.
“Ik ook”, zei Alexa rustig.
“Liever niet”, mompelde Karel. “Ik heb niet veel met die man op. Hij is gemeen. Ik acht hem tot alles in staat.”
“Dat maakt niet uit”, zei Paul. “We willen je immers helpen? Dan is het beter dat we alles weten.”
“Nou, kom dan maar mee.”
Karel ging hen voor.Voor de deur van het huis op de tweede etage bleef hij staan. Er stond geen naam op de deur en een bel was er ook niet. Het rook muf in het oude, vieze trappenhuis. Karel liet de klep van de brievenbus enige malen flink klepperen, dat gaf een hard, metalig geluid.
“Hij doet alleen open als je met de klep van de brievenbus klapt”, legde Karel uit. “Dat is een soort geheim teken.
De deur werd inderdaad geopend. Er stond een man van een jaar of dertig in de deuropening. Oppervlakkig gezien was het een nogal aantrekkelijke man.
Verbaasd keek hij de drie kinderen aan.
“Hé”, zei hij tegen Karel. “Wat verschaft me de eer van een bezoek?”
“Dit zijn vrienden van me”, antwoordde Karel. “Ze helpen me mijn vader te zoeken.
“Ben je daar nog steeds mee bezig?” grijnsde Hoekman.
Hij dacht even na en zwaaide de deur met een uitnodigend gebaar open.
“Kom dan maar binnen en overtuig je ervan dat ik je vader niet verborgen houd.”
(wordt vervolgd)