Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen en sprookjes uit het oude Rusland, vandaag het tweede deel van de historie van de reus Witsch-Otyr.
Het verhaal van de Reus Witsch-Otyr (2)
Dat zei de raaf Spitsnagel en daarna vloog hij weg.
Het werd Witsch-Otyr droef te moede. Hij dacht diep na. In plaats van naar huis te gaan, liep hij naar zijn oudste broer. Hij rukte de van lariksbomen gemaakte deur open en stapte over de drempel. De twee broers hadden elkaar lange tijd niet gezien. Na een uitgebreide begroeting gingen ze aan tafel en raakten in gesprek.
Witsch-Otyr vertelde: “Er bestaat in de wereld een heel mooi meisje, dat het zusje is van zeven broers. Zoveel schoonheid hebben maan en zon nog nimmer aanschouwd. De broers hebben haar verdriet aangedaan en daarom is zij weggelopen. In het woud is zij gevangen door de woudgeest Menkw-Oika, die haar in zijn burcht heeft opgesloten. Nu zou ik graag met dit mooie meisje willen trouwen. Wat denk je ervan, oudste broer?”
De oudste broer gaf geen antwoord. Hij zat daar maar zwijgend en met gebogen hoofd. Hij zweeg zo lang, dat men in die tijd drie pannen vis had kunnen koken.Tenslotte richtte hij zich op, keek zijn jongste broer aan en zei:
“Heb je enig idee wat dat voor iemand is, die Menkw-Oika? Het is een vreselijke kerel. Hij is wel zes meter lang en met zijn armen kan hij een cirkel van zes meter omtrek maken. Zijn knokkels zijn harder dan ijzer, zijn spieren harder dan steen. In zijn burcht zijn meer woudgeesten dan er mieren zijn in een mierenhoop op een hete dag. Een vogel kan in één keer niet over zijn hele gebied vliegen, zo uitgebreid is het. Ga er niet heen als je leven je lief is!”
“Beste broer”, smeekte Witsch-Otyr. “hoe kan ik dat meisje daar dan zonder bescherming bij die lelijke woudgeest laten?”
“Zij heeft haar bescherming gehad”, antwoordde de oudste broer. “Ze had zeven broers, die zo sterk waren als rotsen. Zij is zelf bij hen weggelopen. Het is haar eigen schuld!”
Woedend sprong Witsch-Otyr overeind. De plankenvloer golfde onder zijn voeten als visgraten. Hij gooide de deur open, maar op de drempel keerde hij zich om en riep:
“Jij bent geen mens, jij bent een wetsteen! Alleen voor het scherpen van messen ben jij geschikt.”
Hij ging het huis uit en gooide de deur achter zich dicht. Het was maar goed dat deze stevig in elkaar zat, anders waren de lariksstammen zo uit elkaar gevallen.
Witsch-Otyr ging terug naar zijn woonplaats, maar hij vond geen rust. Hij zette een rendierkop op voor de soep. Het was een smakelijk stuk vlees, maar Witsch-Otyr kon er geen hap van naar binnen krijgen.
“Als mijn broer me niet wil helpen, dan ga ik alleen!” zei hij in zichzelf.
Hij liep naar de rivier en liet de tien meter lange boot te water. Hij was nog maar net ingestapt, of daar kwam zijn zuster aangerend. Zij hield de boot aan de achtersteven vast.
“Lief broertje”, schreeuwde ze. “ga er niet heen! Wat kun je alleen beginnen? Je bent je leven niet zeker in het vreemde land. Het zal slecht met je aflopen! Blijf toch thuis!”
(wordt vervolgd)