Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Vandaag het tiende deel van het titelverhaal uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met sprookjes en verhalen uit het oude Rusland, vertaald en bewerkt door Leni Hof-Hoogland.
De Veer van de Kraanvogel (10)
“Kijk eens, zusters, daar ligt een dode!” zei één van hen.
“Als het onze bruidegom maar niet is”, zei de tweede.
De derde boog zich over het stille lichaam heen.
“Ja, helaas, hij is het! Deze kleding had hij aan toen hij mij zijn aanzoek deed.”
De dochter van de zon vroeg:
“Schuwe Sjamanin, dochter van de sterren, kun je een dode tot leven wekken?”
“Ik kan er geen ‘ja’ en geen ‘nee’ op antwoorden”, zei de aangesprokene.”Ik kan zijn lichaam tot leven wekken, maar zijn geest niet.”
“Tja, dat is niet veel, maar ook niet weinig”, vond de dochter van de zon.
Toen vroeg zij aan de dochter van de maan:
“En hoe ver gaan jouw toverkunsten, maanlichtsjamanin?”
“Ik kan de dood veranderen in een diepe slaap”, antwoordde zij.
“En ik”, zei de dochter van de zon, “ik kan de geest van de dode opwekken en hem uit de doodsslaap doen ontwaken.”
“Aan het werk dan, lieve zusters”, zeiden ze alle drie. “Laten we onze bruidegom tot leven wekken.”
De dochter van de sterren was het eerst aan de beurt. Zij boog zich over het lichaam heen en zie, de borst ging zachtjes op en neer en een lichte ademhaling was te horen.
Nu maakte de dochter van de maan bezwerende gebaren boven het stille lichaam. De kleur keerde terug in het bleke gelaat en de ledematen begonnen te bewegen.
Nu kwam de dochter van de zon naar voren. Zij sprong om het lichaam heen, sprak enige toverwoorden en daar kwam het eerst roerloze lichaam overeind. De muts gleed van het hoofd af en de lange haren hingen over de schouders.
“Oh, lieve zusters, het ziet er naar uit dat we de verkeerde tot leven hebben gewekt. Dit is onze bruidegom niet, maar een vreemde vrouw.”
Judshian had vanuit zijn schuilplaats alles gehoord en gezien. Nu sprong hij tevoorschijn en nam zijn geliefde vrouw in zijn armen. Zij legde haar gezicht tegen zijn brede borst en straalde van vreugde.
De drie bovenaardse wezens zagen het en keken elkaar eens aan. Plotseling begon in de hut een kind te huilen.