Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Vandaag het derde deel van het titelverhaal uit ‘De Veer van de Kraanvogel’, met sprookjes en verhalen uit het hoge noorden vam Rusland, vertaald en bewerkt door Leni Hof-Hoogland
De Veer van de Kraanvogel (3)
“Ja, hij is weg!” riep Chodshugur en hij wenkte hen opgewekt om naar beneden te komen.
De kraanvogels aarzelden nog een beetje.
“Waarom is er zoveel schaduw in de tuin? Waarom hangt er zo’n donkere damp om het huis en om het vuur?”
“Dat lijkt maar zo”, antwoordde Chodshugur. “De zon staat nog niet zo hoog. Jullie kunnen het zon- licht goed zien, maar hier dringt het nog niet door.”
“Dus je broer is echt niet thuis?” vroegen de kraanvogels nogmaals.
“Nee, echt niet! Hij is allang in het bos en jaagt.”
Daarop daalden de witte kraanvogels af in de grote tuin, hingen hun verenkleed op en veranderden weer in meisjes.
Judshian bekeek hen met welbehagen. Het waren mooie meisjes en het meisje dat haar verenkleed in de verste hoek had opgehangen, was het allermooist. Zij was de snelste bij de spelletjes en de bevalligste bij het dansen. De kleine Choshugur vond haar het liefst en speelde en danste het liefst met haar.
Toen de zon begon te zakken, zeiden de meisjes tegen Chodshugur:
“Je broer zal zo wel thuiskomen. We moeten weg!”
Jushian, die nog steeds in de spleet van het hek zat, peinsde en mompelde: “Werkelijk, mijn broertje heeft de volle waarheid verteld. Ik heb ook niet gemerkt dat de dag is voorbijgegaan. Het was net een prachtige droom.”
De meisjes kwamen naar het hek en pakten hun verenkleedjes. Maar de vlo was er snel heen gesprongen. Hij veranderde zich terug in de jager Judshian en greep het laatste verenkleed beet.
Zes witte vogels zweefden de lucht in. Eén meisje was op de aarde achter gebleven. Ze huilde en jammerde en smeekte Judshian haar het verenkleed te geven.
Judshian gaf het haar niet, maar zei:
“De hele dag heb ik naar je gekeken en me in je aanblik verheugd. Kijk mij nu eens aan. Als ik je niet beval, neem dan je verenkleed en vlieg weg. Maar als je me aardig vindt, blijf dan bij me en wordt mijn vrouw.”
Door haar tranen heen keek het meisje de jager aan. Al gauw droogde hij haar tranen en glimlachte.
“Ik blijf bij jou”, zei ze zachtjes.
Judshian vroeg haar: “En wat zullen we met je verenkleed doen? In de hut ophangen, of verbranden in het vuur?”
Nu werd het meisje zo wit als pas gevallen sneeuw.
“Gooi het nooit in het vuur, want dan loopt het slecht met mij af. Hang het ook niet op in de hut, want dan trekt het mij op een dag in het voorjaar mee de lucht in. Dan vergeet ik alles, dan denk ik nooit meer aan jou, maar vlieg gewoon weg. Bewaar het zo, dat niemand er met zijn handen aan kan komen en niemand zijn ogen er op kan laten rusten.”