Ons verhaaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met verhalen en sprookjes uit het oude Rusland,die vertaald en bewerkt werden door Leni Hof Hoogland, vandaag de geschiedenis van de Grootmoeder van Chassynget.
De Grootmoeder van Chassynget (1)
De duivel was erg dol op auerhaan. Daarom had hij op de Auerhaanberg vele strikken gezet. Op deze berg kwamen in het voorjaar de auerhanen uit de hele wereld naar het bal. Op de berg was het gras plat getrapt en opgegeten, zodat de duivel in zijn strikken altijd een goede vangst trof.
Niet zo ver van de Auerhaanberg woonde Chassynget met zijn grootmoeder.
Nu was Chassynget ook dol op auerhaan. Daarom stal hij de vangst uit de strikken van de duivel. In het begin nam hij maar één haantje, maar later twee en ten slotte maakte hij alle strikken van de duivel leeg.
De duivel kwam kijken en zag dat er niets in zijn strikken zat. Dus plaatste hij hier en daar nieuwe strikken. De volgende dag waren die strikken ook leeg. De duivel, die bepaald niet van gisteren was, begreep dat hier iets niet klopte. Die avond verstopte hij zich in het struikgewas, lette de hele nacht goed op en ’s morgens betrapte hij Chassynget.
“Waarom steel je mijn auerhanen?” vroeg hij boos.
“Jouw auerhanen? Die zijn van mij!” antwoordde Chassynget.
“Waarom zijn dat jouw hanen? Die strikken zijn toch van mij?”
“Het is best mogelijk dat de strikken van jou zijn, maar de auerhanen zijn van mij, dat is zeker. De hele Auerhaanberg is van mij. Dat kun je navragen aan wie je maar wilt.”
“Aan wie zou ik dat moeten vragen?” zei de duivel verwonderd. Er woont niemand in de wijde omtrek.”
“Vraag het maar aan de lieve God”, zei Chassynget. “Hij weet alles.”
Dat advies verbaasde de duivel zeer.
“Hoe zou ik dat dan moeten vragen?”
“Heel eenvoudig. Kom morgenvroeg naar de oude spar bij de rivier. Dan zullen we het de lieve God vragen.”
De duivel ging weg en Chassynget liep naar zijn grootmoeder.
“Moet u horen, grootmoeder”, zei hij. “Morgenochtend zet ik u in een rieten mand bovenin de oude spar. U moet heel stil blijven zitten en geen beweging maken. Als ik iets vraag, moet u antwoorden, maar als iemand anders een vraagt stelt, zegt u niets.”
Zo gezegd, zo gedaan. In de ochtendschemering zette Chassynget zijn grootmoeder in de korf in de oude spar en ging zelf aan de oever van de rivier zitten. Toen de zon opgekomen was, kwam de duivel er aan.
“Nou, vraag jij het de lieve God maar eerst”, zei Chassynget. “Dan zullen we wel horen wat het antwoord is.”
De duivel keek omhoog en schreeuwde: “Hé, God, van wie is de Auerhaanberg?”
Er kwam geen antwoord. “Hij zwijgt”, zei de duivel. “Vraag jij het nu eens, Chassynget.”
Chassynget keek omhoog en riep: “Hé, God, zeg eens: is de Auerhaanberg van mij?”
“Ja, van jou!” schreeuwde zijn grootmoeder.
Ze had zo hard geschreeuwd dat ze een beweging had gemaakt, waardoor de tak waarop de korf stond, afbrak en grootmoeder met een harde plons in het water terechtkwam.
“Wat was dat nu?” vroeg de duivel.