Ons verhaal voor de Jeugd
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met sprookjes en verhalen uit het oude Rusland, vandaag de geschiedenis ‘Hoe de verhuizing toch nog doorging’.
Hoe de Verhuizing
toch nog doorging (1)
Op een dag besloten de beren uit Berenland te vertrekken en op het Paddestoeleiland te gaan wonen.
Zo gezegd, zo gedaan. De grote beren liepen voorop, de kleintjes huppelden achter hen aan: berenouders en berenkinderen.
Ze zwierven al maar door. Kwamen ze bij een beek, dan waadden ze er doorheen. Kwamen ze bij een rivier, dan zwommen ze er over en kwamen ze bij een berg, dan klommen ze er overheen.
Het kleinste beertje liep helemaal achteraan. Het was moe en kon zijn ene pootje nog maar nauwelijks voorbij het andere krijgen.
Hij jammerde zachtjes, maar zijn moeder hoorde hem niet. Hij begon harder te jammeren, maar zijn moeder bleef niet staan. Zij liep vooraan en keek recht voor zich uit. Bruintje probeerde haar in te halen, maar hij kon niet zo hard lopen. Zijn pootjes deden pijn.
Opeens ontdekte het beertje rijpe bramen. Hij bleef staan en begon te smikkelen. Hij snoepte en snoepte van de zoete vruchten tot hij niet meer kon. Hij richtte zijn kopje op en keek in het rond. In geen velden of wegen was een beer te zien. Ze waren allang achter de hoge berg verdwenen.
Nu werd Bruintje bang, zo helemaal alleen in de toendra. Hij ging op zijn achterpootjes zitten en huilde hartverscheurend. Ergens gaf een dier antwoord met een angstaanjagend “Jak, jak!”
Bruintje schrok en rende weg. Hij liep en liep, stootte zijn pootje aan een steen en haalde zijn vel open aan het struikgewas. Daar viel hij ook nog van een helling naar beneden, middenin de beek. Drijfnat klauterde hij moeizaam op de wal.
Het begon al donker te worden. Bruintje kroop tussen de struiken en sliep in. Toen hij de volgende morgen wakker werd, zat er een vreemd dier naast hem. Het had lange oren, een kort staartje en een snuffelneusje. Bruintje vond het een grappig dier.
“Wie ben jij?” vroeg hij.
“Ik ben een haas. En hoe ben jij hier zo terechtgekomen?”
“De grote beren zijn doorgelopen. Ik kon ze niet bijhouden en nu hebben ze mij achtergelaten.”
De haas vond het zielig voor het beertje en nam hem mee naar zijn leger.
En voortaan leefden ze samen, werden dikke vrienden en waren altijd bij elkaar.
De haas knabbelde op blaadjes, het beertje snoepte bessen. De haas klopte het stof uit de vacht van Bruintje en de beer kamde het haar van de haas met zijn scherpe klauwtjes. Ze hadden het best samen – beter kon het niet.
(wordt vervolgd)