“Vlug”, siste Kai, “de lucifer is opgebrand.”
Hij spuugde de lucifer uit en deze gingen sissend uit. De heer Koebalski stak zijn hand tot aan de pols in de modder. Maar dat liet hem nu onverschillig, want alles was beter dan neergeschoten te worden.
Hij kroop steeds achter Kai aan en die twee leken op twee padden, die door een pompleiding kruipen. Links en rechts voelde de heer Koebalski iets kouds, iets ronds. Dat waren waterleidingsbuizen. Eindelijk schemerde ergens wat vaag licht naar binnen.
“Zo”, zei Kai, en hij kwam overeind, “we zijn er.”
Ze stonden voor een ijzeren ladder. De heer Koebalski keek door een ronde schacht en zag een ijzeren rooster.
“Een ondergrondse kerker”, dacht hij rillend.
“Het is een riool”, zei Kai, en hij daalde de ladder af.
De heer Koebalski volgde hem.
“Nu moeten we samen het deksel optillen. Dat is enorm zwaar”, zei Kai. “Allez hup!”
Bij ‘hup’ kwam het deksel omhoog en Kai stak voorzichtig zijn hoofd naar buiten, maar trok het gelijk weer terug en schreeuwde: “Pas op!”
Een ontzettend geraas ging dicht langs hun hoofden voorbij.
“Wat was dat?” vroeg de heer Koebalski tandenklapperend.
“Een auto”, zei Kai.
Daarna stapten ze de straat op. Ze zagen er niet uit!
“Verder!” zei Kai en slingerde de troep van zijn schoenen en vingers het wegdek op, zodat een heer begon te schelden op die 'vervloekte rioolwerkers’ toen er wat rommel op zijn bril terechtkwam.
Een kwartier later stonden Kai en de heer Koebalski in het nieuwe station van het noorden in de grote hal. Nu was er geen gevaar meer. De heer Koebalski was zo vuil, dat geen enkele rechercheur hem zou kunnen herkennen. Zelfs Vliegenfluit niet. Die stond trouwens nog steeds voor het oude station te wachten.
(wordt vervolgd)