Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met sprookjes en vertelsels uit het oude Rusland, vandaag het tweede deel van het verhaal ‘De Roep van de Eland’.
‘De Roep van de Eland’ (2)
Op een dag kwam het meisje van de jacht terug en zei tegen haar moeder:
“Mijn tijd is gekomen! Het vlees van de dieren die ik heb geschoten en van de vissen die ik heb gevangen, is voldoende voor vele dagen. Eet zoveel je maar lust en houd je kalm. Zodra ik vader heb gewroken, kom ik terug.”
“O, kind, wat je van plan bent te doen is niets voor een meisje!” zuchtte de moeder. “Je bent er niet sterk genoeg voor.”
“Ja hoor, ik ben sterk genoeg”, zei het meisje.
Nog dezelfde dag vertrok zij. Haar moeder had voor onderweg brood gebakken en gaf haar ook gedroogde vis en gedroogd vlees mee. Het lichte bootje van berkenschors liet zij zelf te water.
En zij voer de Amoer af. Overdag roeide het meisje, als het donker werd stuurde zij het bootje naar de oever. Daar maakte ze vuur, kookte haar eten en sliep. Bij het eerste licht voer zij verder.
Op de derde dag zag het meisje op de oever een man stroomopwaarts lopen. Hoewel de Amoer breed was en de oever ver, kon ze toch wel zien, dat hij jong en knap was, een fijne jongen! Maar hij lette ook op haar. Hij schermde met zijn hand de ogen af, keek haar heel lang na en keerde toen plotseling om en liep achter de boot aan, stroomafwaarts.
Die avond had het meisje nog maar net haar vuur ontstoken of daar kwam de jongeman achter de bomen tevoorschijn en begroette haar.
“Laat mij van takken een hut voor je bouwen. Het zal vannacht koud worden.”
“Goed, doe dat”, zei het meisje. “Dan maak ik avondeten voor ons tweeën.”
Ze aten en praatten samen. Daarna ging het meisje slapen in de hut. De jongen ging voor de ingang op de plaats liggen waar het vuur had gebrand.
De volgende morgen stapte het meisje weer in haar bootje en de jongen ging jagen in het woud.
De rivier droeg het bootje de hele dag stroomafwaarts. De zon begon al te dalen en het werd schemerig. Het meisje overlegde met zichzelf of ze nog een stuk zou doorvaren of naar de oever zou sturen. Plotseling zag ze aan de zanderige oever een vuur branden en aan het water stond de jongen en wenkte haar. Ze stuurde het bootje naar de kant. De jongen had al een hut gebouwd en rijshout gezocht. In de pan lag vers vlees te pruttelen.
Ze aten en praatten net als de vorige avond.
“Waar ga je naar toe?” vroeg de jongen. “Zeg me de waarheid zo precies als een rechte boom zich laat splijten – waarom reis je alleen? Maak voor mij geen geheim van je gedachten. Heb je geen vader of moeder, heb je geen broer om je op je verre reis te beschermen?”
Het meisje zweeg een poosje en zei toen:
“De kronkels van een kromme boom kan het oog niet volgen, en de leugen kronkelt zich om de waarheid heen. Een krom antwoord wil ik je niet geven en een oprecht antwoord kan ik je niet geven. Het werk dat ik moet uitvoeren is nog niet volbracht en ik kan er niets van zeggen. Ik heb geen vader of broer om me te beschermen. Alleen mijn oude moeder, die thuis op me wacht.”
(wordt vervolgd)