Verhaal voor de Jeugd
(en ook voor Ouderen)
Uit het boek ‘De Veer van de Kraanvogel’, met vertellingen en verhalen uit het oude Rusland, gaan we vandaag verder met het achtste en laatste deel van het sprookje 'De ijzeren draak'.
'De IJzeren Draak' (slot)
Na een lange, lange tocht zagen ze het huis eindelijk voor zich. Het was er zo stil, dat het leek alsof er niemand woonde. Niemand kwam de jongen tegemoet, niemand verwelkomde zijn jonge vrouw. Alleen twee bomen, aan weerszijden van de deur, zwaaiden met hun takken, alsof ze hem tegemoet wilden lopen, en hun bladeren ritselden als een vriendelijk gefluister.
Huilend zei de jongen tegen zijn bruid:
“Je zult hier huisvrouw zijn, want ik ben nu wees. Raak deze bomen niet aan, laat ze maar groeien zoals ze willen.”
Ze leefden vredig samen als man en vrouw. Op een dag ging de man op jacht. Hij moest wel een snel dier op het spoor zijn gekomen, want hij bleef lang weg. Zijn vrouw deed de huishouding en toen alles klaar was, ging ze bij het vuur zitten en dacht:
“Waarom zal mijn man mij verboden hebben die bomen bij de deur aan te raken? In het woud staan toch veel hogere en mooiere bomen?”
Ze ging naar de hoogste boom en sneed er met een mes een stukje schors af. Uit de wond sijpelde bloed, dat op de grond druppelde. De vrouw schrok hevig en liep weg, maar in haar haast brak ze van de laagste boom per ongeluk een takje af. Uit het afgebroken takje druppelde ook bloed.
De vrouw ging snel naar de haard en nam een handvol warme as. Zij strooide dit over de wonden en verbond de plekken met droog gras.
Nu kwam haar man thuis. Hij bekeek de bomen en zei verwijtend:
“Waarom heb je mijn vaders knie beschadigd en mijn moeders vinger gebroken?”
“Vergeef mij”, antwoordde zijn vrouw. “Ik wist het niet. Ik heb je destijds niet goed begrepen. Nu zal ik ze verzorgen alsof het geliefde personen waren.”
Voortaan verzorgde zij de twee bomen zo goed zij maar kon. Zij gaf ze water en maakte de grond rondom de wortels los. De bomen groeiden en breidden hun takken steeds wijder uit.
Op een morgen werden de man en de vrouw gewekt door een stem:
“Sta op, kinderen, het eten is klaar.”
De jongen deed zijn ogen open en zag zijn moeder over hem heen gebogen staan. Boven het vuur hing een pan, waar een heerlijke geur uit opsteeg. Bij de haard zag hij zijn vader, die rijshout op het vuur deed.
De jongen sprong zijn bed uit en omhelsde zijn ouders. Zijn vrouw rende meteen de deur uit om te zien of de bomen er nog stonden. Ze waren verdwenen.
Nu gingen zij allen zitten om te eten en de moeder vertelde:
“Toen je bij ons wegging, zoon, hebben we aldoor op je gewacht. We stonden voor de deur en keken in de verte. Je bent zó lang weggebleven, dat onze benen in de aarde vastgroeiden en wij bomen werden.”
“Wij zijn je vrouw, onze schoondochter, erg dankbaar”, zei de vader. “Als zij ons niet zo goed had verzorgd, waren wij misschien ons hele leven bomen gebleven.”
Voortaan leefden zij met z’n vieren en waren nog jarenlang heel gelukkig.
(Einde)