De verzwegen oorlog en excessen in ‘Ons Oost-Indie’ en het uitblijven van excuses
ASSEN – Eindelijk ga ik er over schrijven. Ik had het Hoofdstuk Indonesie, dat een rol in mijn leven speelde, in mijn nog te voleindigen memoires willen aanpakken, maar dat is er nog niet van gekomen. Aangespoord door de publicaties die de laatste tijd zijn verschenen over de zwarte bladzijden uit onze koloniale geschiedenis, de oorlog die door ons Nederlanders in de periode 1947-1949 in Indonesië is gevoerd, neem ik er nu even een voorschot op.
De officiële berichtgeving over de daar gevoerde oorlog, die door de overheid eufemistisch ‘Politionele Actie’ werd genoemd, was sober en liet niet of nauwelijks iets blijken van de werkelijke gang van zaken bij de strijd die tegen de ‘terroristen’, zoals de strijders die zich tegen de koloniale macht verzetten, heetten.
Ik ben van de generatie die de tijd van de Duitse bezetting van de eerste tot de laatste dag zeer bewust had meegemaakt.
Had na de bevrijding nog een jaar middelbare school te gaan en zette toen al de eerste schreden op het journalistieke pad.
Tot aan het eindexamen buiten de schooluren als free-lancer en nog voordat de diploma-uitreiking had plaatsgevonden als zeventienjarige in 1946 dienst van een krant.
Dat werd beleefd als een uitverkoren, spannend leven dat op maandagmorgen begon en op de zondagavond door ‘de krant’ bezet was. Er was daar buiten politiek alles aan de hand maar dat gleed in de euforie van het bestaan voor een belangrijk deel langs me heen.
Wel volgde ik uiteraard de ontwikkelingen en ook de gang van zaken rond Indonesië. Inmiddels was er de confrontatie met de dienstplicht, die voor veel bekenden van iets oudere leeftijd leidde tot een vertrek naar de Oost. Toen de ‘Politionele Actie’ gaande was groeide het besef dat daar iets gebeurde wat niet strookte met de eigen levensopvatting en overtuiging. Daar paste geen oorlog in tegen mensen die voor hun vrijheid streden, de vrijheid die ons volk nog maar recent vijf jaar lang door de Nazi’s was ontnomen.
Dat druiste tegen mijn geweten in en ik nam mij voor nooit deel uit te maken van een leger dat mij met het Befehl ist Befehl principe zou uitzenden naar een gebied waarvan ik het terecht vond dat zijn bewoners in vrijheid wilden leven.
Bevrijd van de drie eeuwen lange koloniale overheersing die niet geschuwd had met harde en niet zelden bloeddorstige hand op te treden tegen mensen die zich tegen die macht verzetten.
Wat je nooit had geweten was dat in ons Oost-Indie al voor de oorlog hard werd optreden tegen bewust geworden ínlanders. Van kampen voor strijders voor meer rechten en vrijheid. Boven Digoel op Nieuw Guinea was alleen bij politiek bewuste burgers iets bekend, maar de massa was er onkundig van. Als lagere schooljongen ging je kennis van dat grote rijk in de Oost niet verder dan dat er donker gekleurde mensen woonden die nog geen geloof hadden en dat dat door zendelingen moest worden bijgebracht. Ook waren er wel inlanders die zich tegen het gezag verzetten en tot de orde moesten worden geroepen.
Het waren vooral Atjehers die wel eens in opstand kwamen, maar gelukkig hadden we Van Heutz, die korte metten met ze maakte. Ik heb ooit nog eens een ‘kwartjesboek' gelezen, waarin zijn heldendaden enthousiast werden beschreven. Hij zou zich er nu in Den Haag voor hebben moeten verant-woorden.
Voor mij geen 24 uur lange boottocht naar Indië, dat stond vast. Maar hoe daar aan te ontkomen?
De hoop was erop gericht voor de dienstplicht te worden afgekeurd. Uit de bezettingsjaren waren taal van trucjes bekend om dat voor elkaar te krijgen. Legioenen mannen die zich voor de Arbeitseinsatz moesten melden hebben daar hun toevlucht toe genomen. Maar dat was niet zo succesvol. Wat ik mij van de raadgevingen nog herinner is dat een heel klein beetje bloed in de urine wonderen kon verrichten. Maar toen in februari 1947 het moment aanbrak waarop ik mij moest melden, is daar niets van gekomen.
Ik geloofde er niet zo in en bovendien had ik geen naald bij me die, in een vinger gestoken, dat druppeltje bloed te voorschijn had moeten toveren.
Ik heb mijn uiterste best gedaan om de deskundigen die mij op fysieke en psychische kwaliteiten moesten beoordelen lichtelijk (‘niet overdrijven, dat werkt niet’, was mijn motto) om de tuin te leiden, maar dat was vergeefs.
Goedgekeurd, was het resultaat en zo mocht tot het volgend jaar wachten op de oproep mij voor defensie te melden.
Dat was een teleurstellende mededeling, maar optimist als ik ook toen al was, hield ik mij vast aan de aloude regels:
‘Een mens die lijdt het meest,
door het lijden dat hij vreest
maar dat nooit op komt dagen.
Zo krijgt hij meer te dragen, dan God te dragen geeft’.
Met andere woorden: misschien is er straks wel zoveel veran-derd in de politiek dat die tocht naar de Oost op een troepentransportschip niet meer nodig is.
JAN HOF
(wordt vervolgd)
Donateurs Abonnement
op het AsserJournaal
ASSEN - Van nu af kunnen lezers (individueel) directies en besturen van Clubs en Instellingen zich aanmelden als DONATEUR ABONNE van het AsserJournaal.
Stelt u het op prijs dat het AsserJournaal blijft verschijnen maak dit mogelijk door
DONATEUR ABONNE
te worden tegen een zelf te bepalen vrijwillige eenmalige of periodieke bijdrage.
De bijdrage kan worden overgemaakt opRekening 382837592
met vermelding AJ Press Support