De Memoires van een
Asser Fotojournalist
Echte Assenaar Bert Jippes (67) heeft een tientallen jaren lange ervaring als persfoto-graaf achter de rug. Eind jaren zestig verruilde hij een baan als laborant voor die van persfotograaf bij De Drentse en Asser Courant. Hij kon daardoor een beroep maken van zijn hobby en dat heeft hij tot aan zijn pensionering tot zijn tevredenheid kunnen doen.
Vandaag een nieuwe aflevering van zijn herinneringen uit bijna veertig jaar fotojournalistiek.
====================================================
De lange haren van de jaren 70 tussen het soldatendiner
We verkeren in de jaren 70.
Lange haren maken deel uit van de dracht van die tijd, ook bij de dienstplichtigen in het leger. Daar zie je kapsels met een lengte tot ver over de schouders. De VVDM, de Vereniging Van Dienstplichtige Militairen, werd in 1969 formeel gesprekspartner van de Minister van Defensie. Zij zorgde ondermeer voor spraakmakende acties over groetplicht en de vrije haardracht.
De VVDM heeft net een rapport samengesteld waarin de kwaliteit van de Nederlandse kazernekeukens onder de loep was genomen. Assen wordt daarin vermeld als één van de allerslechtste keukens van militair Nederland.
Het rapport bereikt de redactie en we besluiten om eens een bezoekje te gaan brengen aan de chef-kok van de Asser kazerne. Hij is niet direct beschikbaar, want aan hij is aan het ijs draaien voor het te nuttigen toetje van de volgende dag. Mijn college en ik wachten geduldig.
De chef is een beroepsmilitair gelouterd door het militaire leven. Hij heeft de rang van kapitein en komt na enige tijd in officiersuniform gestoken met daaroverheen een wit keukenschort binnen. Een buitengewoon komisch gezicht. Hij trekt meteen fel van leer:
“Meneer, de gemiddelde dienstplichtige militair verdomt het om ‘s morgens een goed ontbijt te nuttigen. Die komt zo laat mogelijk uit zijn nest en stouwt dan een paar gevulde koeken naar binnen die hij net uit de automaat getrokken heeft. De paar mensen die nog een ontbijt willen, daar sloven wij ons niet meer voor uit. Ze bekijken het maar!”
Even later bezoeken wij de eetzaal, in militair jargon ‘de vreetschuur’ geheten. Het is allemaal zelfbediening. In lange rijen staan ze voor de uitgifte balie en scheppen de aardappelen en groente zelf op.
Er staan ook grote schalen chocoladevla klaar waaruit naar believen en grote of kleinere portie kan worden genomen. Erg zorgvuldig gebeurt dat allemaal niet. Het is een grote bende van gemorst voedsel en het ziet er nogal onsmakelijk uit.
Wij praten met één van de jongens die meteen zijn misnoegen uit over de lange haren die hij regelmatig in de aardappels en in de vla zegt te vinden.
Als we daar de kapitein later mee confronteren briest hij:
“Meneer, wij staan voor wat hier de keuken uitgaat. Wij zijn geen sterrenrestaurant maar het eten is goed. Voor wat ze er daarginds mee uitspoken zijn wij niet verantwoordelijk”.
Even later besluiten we te vertrekken. Ik ben benieuwd naar het ijs wat de chef-kok eerder heeft gemaakt en vraag hem ernaar.
Hij geeft geen antwoord maar roept met luide stem richting de keuken: “Korporaal voordat je gaat pissen, neem even twee ijsjes voor de heren mee!”
Bert Jippes